Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2561

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
17/2607 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft een juiste toepassing gegeven aan artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit en gaat ervan uit dat appellant het loon heeft genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Deze toepassing is overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever, zoals verwoord in de nota van toelichting en wordt ook nog eens bevestigd door de antwoorden van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 mei 2017 op vragen van een kamerlid over de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5888.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2607 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

22 februari 2017, 16/4796 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.C. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Op 23 mei 2017 heeft het Uwv naar aanleiding van door de Raad gestelde vragen een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken op de bijgaande lijst, plaatsgevonden op 7 juni 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dalen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elk van deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 mei 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Naast deze uitkering heeft appellant werkzaamheden verricht via een uitzendbureau.

1.2.

In verband met het vervallen van de werkzaamheden voor het uitzendbureau heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 28 december 2015 naast zijn oude recht een nieuw recht op uitkering is ontstaan. In zijn besluit van 15 april 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat het dagloon van dit nieuwe recht € 64,29 is en het maandloon € 1.398,31. Voorts heet het Uwv in dit besluit vastgesteld dat het dagloon van het oude recht ongewijzigd € 162,92 is en op basis hiervan het maandloon van het oude recht gesteld op € 3.538,51. In verband met samenloop van het oude en het nieuwe recht komt het nieuwe recht geheel tot uitbetaling en komt het oude recht alleen tot uitbetaling voor zover het betrekking heeft op het bedrag waarmee het maandloon van het oude recht het maandloon van het nieuwe recht overschrijdt.

1.3.

Bij besluit van eveneens 15 april 2016 heeft het Uwv de WW-uitkering waarvoor appellant met ingang van 1 mei 2013 in aanmerking was gebracht – het oude recht – met ingang van 8 januari 2016 beëindigd. Vanaf 8 januari 2016 bestaat alleen nog het nieuwe recht, met een dagloon van € 64,29.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 april 2016 waarbij het dagloon van het nieuwe WW-recht is vastgesteld op € 64,29, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en vastgesteld dat het uitzendbureau de loongegevens per maand heeft aangeleverd bij de Belastingdienst, zodat er sprake is van een aangiftetijdvak van één maand. Dat het door het uitzendbureau verantwoorde loon wisselend een tijdvak van vier of vijf weken betrof en het loon wekelijks aan appellant werd uitbetaald, kan daaraan volgens de rechtbank niet afdoen. Het Uwv heeft dan ook volgens de rechtbank in overeenstemming met het bepaalde in het Dagloonbesluit het dagloon van het (nieuwe)

WW-recht vastgesteld op € 64,29, door het opgegeven loon van de inkomstenverhoudingen tijdens de voor appellant geldende referteperiode van 1 november 2014 tot en met 31 oktober 2015 te delen door 261.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat een aangiftetijdvak van vier weken beter aansluit bij de wekelijkse loonbetaling door het uitzendbureau en een referteperiode van

1 december 2014 tot en met 29 november 2015 beter aansluit bij het loondervingsbeginsel omdat appellant in de maand november 2014 geen inkomsten heeft genoten. Het Uwv heeft volgens appellant het loon van week 44 in 2015 – die valt in de kalendermaand oktober 2015 maar door de werkgever is opgegeven bij de Belastingdienst in november 2015 – ten onrechte niet meegenomen bij de dagloonberekening. Appellant heeft een beroep gedaan op de Beleidsregel Uwv gebruik polisgegevens van 21 juli 2009 (Strc. 2009, 11028, Beleidsregel) op grond waarvan het Uwv kan afwijken van de polisgegevens als de werknemer aantoont dat een gegeven onjuist is.

3.2.

Het Uwv heeft in reactie op vragen van de Raad bij brief van 23 mei 2017, in lijn met de uitspraak van de Raad van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1474, het dagloon verhoogd naar € 77,11, door alleen uit te gaan van het aantal dagloondagen van de kalendermaanden waarin loon is genoten, namelijk 218. Desgevraagd heeft het Uwv ook een dagloonberekening gemaakt uitgaande van de situatie waarin de werkgever per vier weken het loon bij de Belastingdienst zou hebben opgegeven. Ter zitting heeft het Uwv deze laatste berekening gewijzigd en toegelicht dat het dagloon bij een loonaangiftetijdvak van vier weken hetzelfde bedraagt als bij een loonaangiftetijdvak van een maand, namelijk € 77,11 (na indexering per

8 januari 2016 € 78,67).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het dagloon wordt berekend op grond van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, zoals dat besluit luidde vanaf 1 juli 2015 (Stb. 2015, 152, Dagloonbesluit).

In artikel 1, aanhef en onder n, van het Dagloonbesluit is aangiftetijdvak gedefinieerd als:

het tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen, betrekking heeft danwel, indien de werkgever over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald van één maand of vier weken of herleid tot één maand of vier weken.

Volgens artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder referteperiode voor de WW in dit hoofdstuk verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden.

In artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat van de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

4.2.

Het Uwv heeft het aangiftetijdvak november 2014 alsnog buiten de dagloonberekening gehouden en het dagloon met ingang van 28 december 2015 vastgesteld op € 77,11 (na indexering per 8 januari 2016 € 78,67). Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit besluit en de aangevallen uitspraak zullen daarom worden vernietigd. Bezien zal worden welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden.

4.3.

Uit de berekening van het Uwv, zoals weergegeven in 3.2, blijkt dat het in het geval van appellant niet uitmaakt of het loon door de werkgever per vier weken of per maand wordt opgegeven bij de Belastingdienst. Ter zitting heeft appellant gelet hierop de beroepsgrond laten vallen dat het Uwv had moeten uitgaan van een ander aangiftetijdvak.

4.4.1.

Alleen in geschil is nog de vraag of het Uwv het loon over week 44 van 2015 had moeten meenemen bij de dagloonberekening. Het Uwv heeft een juiste toepassing gegeven aan artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit en gaat ervan uit dat appellant het loon heeft genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Deze toepassing is overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever. In de nota van toelichting bij artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, zoals dat gold met ingang van 1 juni 2013 (Stb. 2013, 185, blz. 26) wordt herhaald wat ook al uit de tekst van de hiervoor behandelde bepalingen blijkt, namelijk dat het dagloon gebaseerd wordt op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken, gelegen in de referteperiode en dat de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak.

4.4.2.

Dit wordt ook nog eens bevestigd door de antwoorden van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 mei 2017 op vragen van een kamerlid over de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5888. Deze uitspraak gaat over een WW-uitkering die wordt uitbetaald na de referteperiode, maar betrekking heeft op een periode in de referteperiode. De minister heeft geantwoord dat er geen sprake is van een onbedoeld effect, dat er in het Dagloonbesluit bewust voor is gekozen dat het Uwv gebruik kan maken van het loon of de uitkering die in de polisadministratie is opgenomen en dat het niet wenselijk is om het Dagloonbesluit zo aan te passen dat het volledige inkomen tijdens de referteperiode wordt meegenomen ongeacht het moment van uitbetaling.

4.4.3.

Omdat niet is gebleken dat er sprake is van een situatie als bedoeld in de Beleidsregel waarnaar appellant heeft verwezen, was er geen aanleiding om toepassing te geven aan die Beleidsregel en heeft het Uwv het loon van week 44 ook om die reden op goede gronden niet bij de dagloonberekening betrokken.

4.5.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4.3 zal de Raad zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het Uwv de WW-uitkering met ingang van 8 januari 2016 berekent naar een dagloon van € 78,67 (maandloon € 1.711,07).

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Die kosten worden bepaald op de kosten van rechtsbijstand in bezwaar van € 495,-, in beroep van € 495,- en in hoger beroep van € 990,-, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 oktober 2016 voor zover daarbij het in het besluit van 15 april 2016 vastgestelde dagloon van € 64,29 is gehandhaafd;

- herroept het besluit van 15 april 2016 in zoverre en bepaalt dat het Uwv de WW-uitkering met ingang van 8 januari 2016 berekent naar een dagloon van € 78,67;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) N. Veenstra

16/4062 ZW [appellant 2]

15/4212 WW [appellant 3]

15/3811 ZW + 17/3609 ZW [appellant 4]

16/4697 ZW [appellant 5]

UM