Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2559

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
16/5214 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. (De) adviseurs hebben na herbeoordeling van de aanwezige medische gegevens niet anders kunnen concluderen dan dat bij de beoordeling van de aanvraag in 1996 terecht is geconcludeerd dat appellant in mei 1994 met werken is gestopt door gebruik te maken van de zogenoemde VUT-regeling en dat appellant op dat moment niet blijvend arbeidsongeschikt was voor de functie van adjunct-registrator ten gevolge van de (psychische) oorlogsinvaliditeit. Appellant heeft geen medische of andere gegevens ingebracht die op zijn (medische) situatie in 1994 een ander licht kunnen werpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5214 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 20 juli 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 juli 2016, kenmerk BZ01972043 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen

burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017. Daar is appellant, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1939, heeft in mei 1996 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 16 december 1996 is appellant op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en is aan hem de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo toegekend. Een periodieke uitkering is aan appellant niet toegekend. Daaraan ligt ten grondslag dat de reden van de beƫindiging van de werkzaamheden van appellant als adjunct-registrator in 1994 niet is gelegen in zijn oorlogsinvaliditeit. Tegen het besluit van 16 december 1996 heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2.

In augustus 2015 heeft appellant verzocht de afwijzing van de periodieke uitkering te herzien. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 7 maart 2016 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat appellant geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding zouden kunnen geven het eerdere besluit te herzien.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door een belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen. Daarbij staat de vraag centraal of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvragen niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2.

De weigering van verweerder om het eerdere besluit te herzien is gebaseerd op adviezen van twee van zijn geneeskundig adviseurs. Deze adviseurs hebben na herbeoordeling van de aanwezige medische gegevens niet anders kunnen concluderen dan dat bij de beoordeling van de aanvraag in 1996 terecht is geconcludeerd dat appellant in mei 1994 met werken is gestopt door gebruik te maken van de zogenoemde VUT-regeling en dat appellant op dat moment niet blijvend arbeidsongeschikt was voor de functie van adjunct-registrator ten gevolge van de (psychische) oorlogsinvaliditeit. Appellant heeft geen medische of andere gegevens ingebracht die op zijn (medische) situatie in 1994 een ander licht kunnen werpen.

2.3.

Voor zover appellant met zijn aanvraag ook heeft beoogd de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo vast te stellen op een hogere grondslag ziet de Raad aanleiding het volgende op te merken. De hoogte van de grondslag van de toeslag is geregeld in artikel 10, lid 8,

onder a, van de Wubo. Dat is een wettelijk vastgesteld bedrag en geldt voor een ieder die aanspraak maakt op de toeslag. Het is dan ook niet mogelijk de grondslag van de toeslag per individu op een ander bedrag vast te stellen.

2.4.

Het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan kan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD