Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
14/6341 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. (Cognitieve) beperkingen. De door de Raad benoemde deskundige wordt gevolgd. Geen onjuiste FML. Geen twijfel aan belastbaarheid. Geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de CBBS-gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6341 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

31 oktober 2014, 14/75 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], België (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door Eshuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. M.P.W.M. Wiertz.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De door de Raad als deskundige benoemde dr. P.L.I. Dellemijn, neuroloog, heeft op 4 januari 2017 een rapport uitgebracht. Partijen hebben daarop gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als manager en heeft zich op 17 oktober 2011 ziek gemeld met cognitieve en lichamelijke klachten als gevolg van een verkeersongeval.

1.2.

Naar aanleiding van haar aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft gesteld dat appellante, ondanks haar fysieke beperkingen, in staat wordt geacht arbeid te verrichten. Forse cognitieve beperkingen zijn volgens de verzekeringsarts uitgesloten. De beperkingen zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 augustus 2013. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 43,86%. Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 14 oktober 2013 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.

1.3.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

3 december 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van

23 augustus 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellante een (neuro)psychologisch rapport van dr. A. Duits van 4 juli 2014 en een brief van psychiater dr. J.J.M.H. Strik van 26 juni 2014 ingebracht. Neuropsycholoog Duits komt tot de conclusie dat sprake is van milde

tempo- en inprentingstekorten en psychiater Strik concludeert tot een depressieve stoornis en acht het concentratievermogen van appellante duidelijk verstoord. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hier geen aanleiding in gezien de FML te wijzigen.

2.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat haar belastbaarheid is onderschat. Zij heeft ter ondersteuning van haar standpunt gewezen op onder meer informatie van neuropsycholoog Duits, psychiater Strik en revalidatiearts drs. R.P. Strackke. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Verder heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij medisch niet in staat is de functie van magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220) te vervullen. Tot slot zijn er gronden aangevoerd betreffende de juistheid van de gegevens in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu tussen partijen een duidelijk verschil van opvatting bestaat over welke (cognitieve) beperkingen appellante had op 14 oktober 2013 en appellante haar standpunt met diverse medische stukken heeft onderbouwd, is aanleiding gezien Dellemijn, neuroloog, als onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. Dellemijn heeft in zijn rapport van

4 januari 2017 geconcludeerd dat bij zijn onderzoek en terugkijkend naar de datum in geding geen sprake is van een cognitieve stoornis. Op neurologisch gebied is er geen aanleiding meer beperkingen aan te nemen dan opgenomen in de FML.

4.2.

De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen. De door appellante in reactie op het deskundigenrapport ingebrachte medische informatie van neuroloog dr. J. Staals is door Dellemijn betrokken bij zijn onderzoek. Daarin heeft Dellemijn geen aanleiding gezien om de FML voor onjuist te houden.

4.3.

Gelet op het rapport van Dellemijn wordt geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante.

4.4.

Uitgaande van de in de FML vastgelegde belastbaarheid van appellante wordt geoordeeld dat de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante niet te boven gaan. De gronden die appellante heeft aangevoerd tegen de functie van magazijn, expeditiemedewerker slagen niet, omdat appellante daarbij niet uitgaat van de functiebelasting zoals omschreven in het formulier Resultaat functiebeoordeling van 2 december 2013, maar uitgaat van een belasting van een andere functie. In deze andere functie dienen bijvoorbeeld gewichten tot maximaal 25 kilogram getild te worden, terwijl in de functie van magazijn, expeditiemedewerker het te tillen gewicht niet meer bedraagt dan 2 kilogram.

4.5.

Naar aanleiding van de gronden gericht tegen het gebruik van CBBS-gegevens wordt overwogen dat volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390, in beginsel van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens dient te worden uitgegaan. Indien door een betrokkene de juistheid van deze gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd wordt bestreden of indien de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt, kan van het Uwv worden verlangd dat het door overlegging van de betreffende gegevens de verificatie daarvan mogelijk maakt. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de

CBBS-gegevens. Voor zover appellante heeft gesteld dat niet kan worden nagegaan dat de geselecteerde functies in alle vijf landelijke regio’s voorkomen, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM0055) waarin een soortgelijke stelling is verworpen. Deze rechtspraak heeft ook haar gelding behouden voor zover het gaat om de toepassing van artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals in dit geding van toepassing (zie ook de uitspraak van de Raad van 24 juni 2016, ECLI:NL:2016:2423 en van 7 april 2017, ECLI:NL:2017:1407).

4.6.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.5 leiden tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM