Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2550

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
16/4363 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering in verband met ontvangen erfenis. Terecht geen rekening gehouden met interingsnorm. Eerdere rechtspraak van toepassing ook al is wettelijk kader gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4363 PW

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 juni 2016, 15/4422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.M. Meis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 18 april 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds februari 1992 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 24 december 2014 heeft appellant aan het college gemeld dat hij een bedrag van € 44.000,- heeft ontvangen uit de nalatenschap van zijn moeder, die op 23 september 2013 is overleden. Zijn vader is op 12 december 1994 overleden. Naar aanleiding van deze melding heeft het college een onderzoek ingesteld naar de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft het college appellant bij brief van 15 januari 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 22 januari 2015 en hem daarbij verzocht een aantal gegevens mee te nemen naar dat gesprek. Appellant is verschenen en heeft de gevraagde gegevens overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 december 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 1 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 oktober 2015 (bestreden besluit), met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 december 1994 tot en met 13 juli 1997 tot een bedrag van € 18.408,- van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant een erfenis van zijn vader heeft ontvangen en dat hij achteraf bezien over voldoende eigen middelen kon beschikken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant op 23 september 2013 aanspraak had op zijn erfdeel uit de nalatenschap van zijn moeder. Vaststaat dat appellant op 3 december 2014 € 44.000,- heeft ontvangen uit de nalatenschap. Daarmee staat vast dat op dat moment sprake was van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad en de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college in het geval van appellant rekening had moeten houden met de interingsnorm. Dat appellant de (gevolgen van de) jurisprudentie onrechtvaardig vindt, geeft de rechtbank geen aanleiding om van de jurisprudentie af te wijken nu appellant de jurisprudentie niet inhoudelijk heeft weersproken. Dat een bijstandsgerechtigde financieel beter af is op het moment hij een nalatenschap daadwerkelijk krijgt uitgekeerd en dat dan van hem wordt verlangd het bedrag aan in het verleden te veel ontvangen uitkering terug te betalen, betreft geen ongerechtvaardigde verrijking van het college. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Uit het rapport van 4 september 2015 volgt dat het college de financiële positie van appellant heeft betrokken bij de berekening van zijn vermogen en van het terugvorderingsbedrag. Zo heeft het college rekening gehouden met dat deel van de nalatenschap dat appellant van zijn vader heeft ontvangen (€ 22.493,-) en het vrij te houden vermogen op 12 december 1994 (€ 4.085,-). Uit die berekening(swijze) volgt niet dat appellant in zijn belangen is geschaad. Daarnaast heeft het college in het verweerschrift voldoende toegelicht waarom sprake is van een netto terugvorderingsbedrag.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen rekening zou hoeven houden met de interingsnorm. Appellant stelt dat zowel de rechtbank als de Raad op geen enkele wijze gebonden zijn aan eerdere rechtspraak. De uitspraken waar de rechtbank naar verwijst hebben betrekking op een ander wettelijk kader. Als wordt verwezen naar vaste rechtspraak moet ook het wettelijk kader worden toegepast dat gold ten tijde van het ontstaan van deze jurisprudentie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daar nog aan toe dat, zoals ook de rechtbank al heeft overwogen, in de uitspraak van 25 mei 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM6290) uitdrukkelijk staat vermeld dat de Raad geen aanleiding ziet ten aanzien van de toepassing van artikel 58, eerste (thans tweede) lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (WWB, thans PW) anders te oordelen dan voorheen ten aanzien van de toepassing van het nagenoeg gelijkluidende artikel 82, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw). Dit betekent dat de rechtspraak ten aanzien van dat artikel van de Abw ook onder de werking van de WWB (thans PW) zijn gelding heeft behouden. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college niet gehouden was in het kader van de terugvordering rekening te houden met een fictieve interingsnorm van anderhalf maal de bijstandsnorm.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) A. Mansourova

HD