Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
17/2236 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:958, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft onvoldoende onderbouwd dat betrokkene wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Het is aan appellant om aan de hand van medische gegevens aannemelijk te maken dat betrokkene op de peildatum ongeschikt was voor zijn functie en zo nodig de door betrokkene ingebrachte medisch relevante informatie te weerleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2236 AW

Datum uitspraak: 20 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
8 februari 2017, 16/4582 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Erasmus MC (appellant)

[betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.J.C. van Bemmel, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.G.B. Coonen-ter Braak en S.E. Pille, Msc. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Bemmel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is werkzaam bij het Erasmus MC, sinds 2001 in de functie van [functie 1] .

1.2.

Betrokkene heeft diabetes mellitus. Sinds 2010 verricht hij geen nachtdiensten meer. Omdat betrokkene beperkingen had wat betreft het verrichten van nachtdiensten en het werken met perslucht, heeft appellant betrokkene medio 2011 aangemerkt als mobiliteitskandidaat. Een tijdelijke plaatsing in de eerste helft van 2013 in de functie van [functie 3] is niet succesvol geweest. In augustus 2013 is betrokkene aangemeld bij het loopbaancentrum van het Erasmus MC voor herplaatsing.

1.3.

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij besluit van 14 juli 2014 vastgesteld dat betrokkene per 3 mei 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) omdat hij minder dan 35%, namelijk 29,55%, arbeidsongeschikt is.

1.4.

Bij besluit van 20 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 mei 2015, heeft appellant betrokkene met ingang van 1 september 2014 op grond van artikel 8.5.1, eerste lid, van de CAO Universitair Medische Centra (CAO UMC) wegens arbeidsongeschiktheid herplaatst in de functie van [functie 2] , unit [unit] . Volgens appellant is betrokkene niet langer geschikt voor zijn werk als [functie 1] , wat wordt bevestigd door het besluit van het Uwv van 14 juli 2014, en is het werk bij Zorgaccent passend werk. Daarbij doet het door betrokkene overgelegde onderzoeksverslag van de verzekeringsarts van het Uwv van 14 april 2015, waarin staat dat de eerder gestelde beperking in het kader van de wisseldiensten komt te vervallen, niets af aan het in rechte vaststaande besluit van 14 juli 2014.

1.5.

Het Uwv heeft bij besluit van 14 januari 2016, na een verzoek van betrokkene om herbeoordeling, vastgesteld dat betrokkene vanaf 26 juni 2014 geen recht heeft op een

WIA-uitkering omdat hij vanaf die datum het werk dat hij deed voordat hij ziek werd weer kon doen en dus niet arbeidsongeschikt is.

1.6.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 maart 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:1906) het besluit van 5 mei 2015 vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar. De rechtbank heeft bepaald dat appellant bij het nemen van die beslissing alsnog inhoudelijk dient in te gaan op het medisch onderzoeksverslag van de arts H.E. Wonnink van 25 oktober 2014, niet voorbij mag gaan aan het Uwv-bericht van 14 april 2015 en ook het besluit van het Uwv van 14 januari 2016 erbij moet betrekken. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.7.

Bij besluit van 30 mei 2016 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en zijn herplaatsingsbesluit van 20 augustus 2014 gehandhaafd. Voor zover op enig moment in rechte zou komen vast te staan dat betrokkene wel arbeidsgeschikt was op 1 september 2014, heeft appellant voor de herplaatsing een tweede grondslag gevonden in artikel 3.7, tweede lid, van de CAO UMC. Daarbij heeft appellant overwogen dat het dienstbelang bij de herplaatsing lag in het feit dat betrokkene sinds 2010 aangepaste werkzaamheden verrichtte door geen nachtdiensten te draaien en niet te worden ingezet op het heli-dek en in het voorkomen van gezondheidsproblemen bij betrokkene.

1.8.

Het Uwv heeft bij besluit van 23 juni 2016 het bezwaar van appellant tegen het onder 1.5 vermelde besluit van 14 januari 2016 gegrond verklaard en dat besluit ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat appellant ook thans onvoldoende heeft onderbouwd dat betrokkene wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als [functie 1] . Appellant heeft nagelaten een medische rapportage te doen opmaken over de hier van belang zijnde medische gegevens en de diverse standpunten daarover. Dat het Uwv inmiddels wegens een formeel punt is teruggekomen op zijn besluit van 14 januari 2016, brengt niet mee dat appellant aan het medisch oordeel dat aan dat besluit ten grondslag lag, voorbij kon gaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit ook op de subsidiaire grondslag, herplaatsing wegens dienstbelang, geen stand kan houden. Nu appellant zijn standpunt dat betrokkene zijn arbeid niet zou kunnen verrichten niet heeft onderbouwd, moet ervan worden uitgegaan dat hij die arbeid volledig en zonder restricties kan vervullen en dat er geen dienstbelang is bij herplaatsing.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft op 1 juni 2017 en dus na aanvang van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nog stukken ingediend. Betrokkene heeft te kennen gegeven zich ertegen te verzetten dat deze stukken in de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken, omdat het voor hem niet goed mogelijk is om hierop nog inhoudelijk te reageren. De Raad volgt betrokkene hierin en laat deze stukken daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de uitspraak van de Raad van 18 augustus 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3123), waaruit volgt dat nieuwe feiten of omstandigheden die alleen betrekking hebben op een na het primaire besluit ontstane situatie, niet worden meegenomen als het gaat om besluiten die zien op een bepaalde peildatum. In dit geval heeft het primaire besluit van 20 augustus 2014 betrekking op de rechtspositie van betrokkene op 1 september 2014. Besluiten van het Uwv van een latere datum dan 20 augustus 2014 en een medische rapportage van oktober 2014 zijn volgens appellant dan ook niet relevant. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, zo stelt appellant, is hij niet verplicht om op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb wijzigingen in de gezondheidstoestand van betrokkene in zijn heroverweging te betrekken die niet gerelateerd kunnen worden aan de peildatum 20 augustus 2014.

4.3.

Nu appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 maart 2016, heeft de rechtbank terecht als eerste beoordeeld of appellant met het bestreden besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan haar eerdere uitspraak. Evenzeer terecht heeft de rechtbank geconcludeerd dat dit niet het geval is, aangezien appellant heeft nagelaten een medische rapportage te laten opmaken over de onder 1.5 vermelde medische gegevens en ook nu zijn standpunt dat betrokkene zijn eigen werk als [functie 1] niet kan verrichten niet heeft onderbouwd. Wat appellant heeft aangevoerd is in essentie gericht tegen het door de rechtbank op 15 maart 2016 gegeven oordeel en kan reeds daarom geen doel treffen.

4.4.

De Raad onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat, nu appellant niet heeft onderbouwd dat betrokkene zijn arbeid niet zou kunnen verrichten, de herplaatsing op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de CAO UMC evenmin kan standhouden. Wat appellant heeft aangevoerd kan ook in zoverre geen doel treffen.

4.5.

Appellant dient alsnog uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank van

15 maart 2016. De Raad voegt aan het voorgaande toe dat voor het antwoord op de vraag of appellant betrokkene met ingang van 1 september 2014 op grond van artikel 8.5.1, eerste lid, van de CAO UMC mocht herplaatsen in een andere, passende functie, bepalend is of betrokkene op die datum, de peildatum, ongeschikt was voor zijn werk als [functie 1] . Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb moet appellant bij de heroverweging van het bezwaar van betrokkene ook alle nieuwe medische informatie betrekken die betrekking heeft op de gezondheidstoestand van betrokkene op de peildatum. Appellant mag daarom niet voorbijgaan aan het door betrokkene ingebrachte, kort na de peildatum opgestelde, medisch onderzoeksverslag van Wonnink en evenmin aan rapportages van de verzekeringsarts van het Uwv die informatie geven over de beperkingen van betrokkene op of rond de peildatum. Het is aan appellant om aan de hand van medische gegevens aannemelijk te maken dat betrokkene op de peildatum ongeschikt was voor zijn functie en zo nodig de door betrokkene ingebrachte medisch relevante informatie te weerleggen.

4.6.

Uit de overwegingen 4.1 tot 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door appellant nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand en op € 20,15 aan reiskosten, in totaal € 1.010,15.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit dient

te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat beroep tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.010,15;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M.T. Boerlage en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD