Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
15/8235 AOW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij de vaststelling van de hoogte van de overbruggingsuitkering zijn de inkomsten uit de − op 1 april 2014 geëindigde − lijfrente-uitkering buiten beschouwing gebleven. Geconcludeerd wordt dat appellant zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de hiervoor bedoelde voormalig werknemer. Het gehanteerde onderscheid in situaties als die van appellant staat niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie tot het daarmee nagestreefde doel. Geen toereikende rechtvaardiging. Het verschil in behandeling is daarom discriminerend. Opdracht het gebrek te herstellen.

Wetsverwijzingen
Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW
Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/127
NJB 2017/1671
USZ 2017/314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8235 AOW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 november 2015, 14/3902 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 14 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Kort-Schenk.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij brief van 21 december 2016 antwoord gegeven op de schriftelijke vragen van de Raad.

De Svb heeft meegedeeld zijn standpunt te handhaven.

Appellant heeft een nadere schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als zelfstandige bakker en heeft in 2007 zijn bakkerij verkocht. Van 1 juli 2007 tot 1 juli 2016 heeft hij in loondienst gewerkt voor de nieuwe eigenaar. Daarna heeft hij op 61-jarige leeftijd zijn werkzaamheden beëindigd. Vanaf augustus 2010 heeft appellant een prepensioen van het Bedrijfspensioenfonds Bakkersbedrijf (€ 219,78 bruto per maand) en een lijfrente-uitkering van Reaal N.V. (€ 1.122,13 bruto per maand) ontvangen. De lijfrente is op 1 april 2014 geëindigd.

1.2.

Bij besluit van 20 september 2013 is aan appellant met ingang van 20 mei 2014 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een partnertoeslag ingevolge deze wet toegekend. Op 20 maart 2014 heeft appellant de leeftijd van 65 jaar bereikt.

1.3.

Bij besluit van 21 maart 2014 is aan appellant op grond van de Tijdelijke Regeling Overbruggingsuitkering AOW (OBR) over de periode van 20 maart 2014 tot 20 mei 2014 een overbruggingsuitkering toegekend ter hoogte van in totaal € 151,90 bruto. De overbruggingsuitkering is gebaseerd op de inkomsten uit het prepensioen dat hij genoot tot

1 maart 2014. Bij de vaststelling van de hoogte van de overbruggingsuitkering zijn de inkomsten uit de − op 1 april 2014 geëindigde − lijfrente-uitkering buiten beschouwing gebleven.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 maart 2014 is bij besluit van

1 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat de lijfrente bij de berekening van de overbruggingsuitkering terecht buiten beschouwing is gebleven. De vergelijking met een regeling als bedoeld in artikel 5, onder h, OBR gaat volgens de rechtbank niet op, omdat de daar genoemde verzekering is gekoppeld aan de hoogte van een WAO- of WIA-uitkering en de door appellant afgesloten lijfrente deze koppeling niet kent. Volgens de rechtbank heeft de Svb voorts de lijfrente van appellant niet vergelijkbaar hoeven achten met een ontslagvergoeding zoals omschreven in artikel 5, onder k, van de OBR. Een periodieke uitkering uit hoofde van een stamrecht dat is verkregen uit een eenmalige uitkering door een werkgever na (vaak gedwongen) beëindiging van een dienstbetrekking kan in veel gevallen als prepensioen worden beschouwd. Een groot aantal zelfstandigen gebruikt periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht echter niet als prepensioen, maar als oudedagsvoorziening.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de op 1 april 2014 geëindigde

lijfrente-uitkering ten onrechte buiten beschouwing is gebleven. Hij betoogt dat hij in zijn individuele situatie de lijfrenteverzekering heeft afgesloten als prepensioenvoorziening en niet als oudedagsvoorziening. Het verschil in oogmerk dat zelfstandigen en werknemers over het algemeen hebben met een lijfrente, rechtvaardigt het onderscheid niet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of bij de vaststelling van de overbruggingsuitkering terecht het inkomensverlies door het eindigen van de lijfrente-uitkering van appellant buiten beschouwing is gebleven.

4.2.

Niet in geschil is dat de lijfrente-uitkering die op 1 april 2014 is geëindigd, geen uitkering is op grond van artikel 5, aanhef en onder h, van de OBR of één van de andere in artikel 5 van de OBR genoemde regelingen.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Svb een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen een voormalig zelfstandige in de situatie van appellant en een voormalig werknemer die, kort gezegd, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd geen recht meer heeft op een op 1 januari 2013 reeds lopende uitkering krachtens een regeling als bedoeld in artikel 5 van de OBR, vanwege een in die regeling genoemde leeftijdsgrens van 65 jaar.

4.4.

De Svb heeft betwist dat appellant zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de hiervoor bedoelde voormalig werknemer. De staatssecretaris heeft in haar brief van

21 december 2016 en de daarbij gevoegde bijlage betoogd dat door zelfstandigen afgesloten lijfrenten in het kader van de TRO niet als prepensioenregeling worden gezien, maar als oudedagsvoorziening. Daarbij is van belang dat de zelfstandige de ingangsdatum en ook de einddatum van de lijfrente zelf heeft kunnen vaststellen.

4.5.

Deze redenering wordt niet gevolgd. In paragraaf 2 van de Nota van Toelichting bij de OBR is verwoord dat deze regeling − kort gezegd – tegemoet komt aan een overbruggingsprobleem van mensen met een inkomen van niet meer dan 200% of 300% van het wettelijk minimumloon, die op of vóór 1 januari 2013 al een VUT- of prepensioenuitkering of uitkering uit een vergelijkbare regeling ontvangen, die eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, en van wie het AOW-pensioen het belangrijkste deel van het besteedbaar inkomen zal zijn. Appellant verkeert in een situatie zoals hier omschreven. Het enkele feit dat appellant de duur van de lijfrente ook anders had kunnen bepalen doet hieraan niet af, nu appellant de lijfrente klaarblijkelijk heeft willen aanwenden ter overbrugging van de periode tussen de beëindiging van zijn beroepsarbeid en het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd en de looptijd hier dan ook op heeft afgestemd. De omstandigheid dat bij de totstandkoming van de regeling een bewuste weging is gemaakt tussen groepen waarvoor de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd gevolgen heeft, brengt niet mee dat in de onderhavige procedure alleen al daarom zou moeten worden aangenomen dat de hiervoor genoemde situaties van de voormalig zelfstandige en de voormalig werknemer niet vergelijkbaar zijn. In dit verband is tevens van belang dat de premies voor de AOW worden opgebracht door zowel zelfstandigen als werknemers.

4.6.

Geconcludeerd wordt dat appellant zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de hiervoor bedoelde voormalig werknemer.

4.7.

Het verdere betoog van de staatssecretaris over de vergelijkbaarheid van de situaties dient te worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of het onderscheid gerechtvaardigd is.

4.8.

Op dit punt heeft de Svb gesteld dat het onderscheid tussen beide situaties berust op een toereikende rechtvaardiging. De staatssecretaris heeft benadrukt dat de lijfrentevoorzieningen, zoals die van appellant, anders dan regelingen voor vervroegde uittreding of prepensioenregelingen als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a, respectievelijk onder b, van de OBR, vrijheidsgraden kennen bij het aanwenden van de lijfrente. Het opschuiven van de pensioengerechtigde leeftijd leidt er bij een lijfrentevoorziening, anders dan VUT-uitkeringen en prepensioenen, die eindigen bij het bereiken van de oorspronkelijke pensioengerechtigde leeftijd, niet toe dat minder uitkering wordt ontvangen. In de visie van de staatssecretaris is er bij een lijfrente geen te compenseren inkomensverlies. De lijfrentevoorziening − zo betoogt, zij − gedraagt zich net als andere vormen van vermogen die vrij beschikbaar zijn en dient te worden beschouwd als een spaarpotje waaruit een periodieke uitkering wordt bekostigd waarvan de looptijd en de hoogte samenhangen met het spaarsaldo. De door zelfstandigen afgesloten lijfrenten (anders dan die begrepen zijn in onderdeel h van artikel 5 van de OBR) zijn niet opgenomen in de OBR, omdat deze niet worden gezien als prepensioenregeling maar als oudedagsvoorziening. De Svb heeft er in dit verband op gewezen dat VUT- en prepensioenregelingen vallen onder de zogeheten tweede pijler van het pensioenstelsel, terwijl lijfrentevoorzieningen van zowel werknemers als zelfstandigen vallen onder de derde pijler. De Svb en de staatssecretaris wijzen erop dat in de OBR er rekening mee is gehouden dat voormalige zelfstandigen in verband met de fiscale oudedagsreserve een hoger vermogen kunnen hebben, doordat voor zelfstandigen een extra pensioenvermogenvrijlating is opgenomen. In de Nota van Toelichting bij de OBR is overwogen dat de hoogte van het vrijgelaten bedrag voldoende is “om een pensioen ter hoogte van het gemiddelde aanvullende pensioen van een werknemer in Nederland veilig te stellen”. Betoogd is voorts dat in de OBR is bedoeld te voorkomen dat een ongelijke behandeling ten nadele van (voormalige) werknemers zou ontstaan als alleen lijfrente-uitkeringen van zelfstandigen in de OBR zouden worden betrokken. Alle overige lijfrentevoorzieningen (dan die begrepen zijn in artikel 5, onder h of k, van de OBR) zijn van de OBR uitgesloten om te voorkomen dat de vaak kleine lijfrentevoorzieningen die door meer dan één miljoen particulieren in Nederland zijn afgesloten in ogenschouw dienen te worden genomen.

4.9.

In artikel 1, eerste lid, van Protocol 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is bepaald dat het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van Protocol 12 bij het EVRM mag niemand worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.

4.10.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraken van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180, en 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3249), is volgens constante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM en daarmee voor de toepassing van artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is. Dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid. Het onderscheid tussen (voormalig) werknemers en (voormalig) zelfstandigen is geen “verdacht” onderscheid, zodat ten aanzien van een dergelijk onderscheid de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” toekomt. Dit geldt temeer in dit geval waar het gaat om een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid.

4.11.

Zoals hiervoor onder 4.5 is vermeld, is de doelstelling van de OBR om mensen met een laag inkomen, die door beëindiging van hun lopende VUT- of prepensioenuitkering of uitkering uit een vergelijkbare regeling te maken krijgen met inkomensverlies, een inkomensvoorziening te verstrekken tot aan de voor hen geldende verhoogde AOW-leeftijd. Met het beperken van het aantal situaties waarin het vervallen van een lijfrente bij de 65e verjaardag wordt opgevangen door een overbruggingsuitkering op de wijze zoals voorzien in artikel 5 van de OBR, wordt kennelijk beoogd te voorkomen dat de OBR zich mede zou uitstrekken tot situaties waarin een werknemer of zelfstandige in staat is de gevolgen van het verschuiven van de pensioengerechtigde leeftijd zelf op te vangen, doordat hij of zij bij het aanwenden van een lijfrentevoorziening of (andere) vermogensbestanddelen daarover vrij kan beschikken. Dit onderscheid dient een legitiem doel.

4.12.

Vervolgens dient te worden nagegaan of de gehanteerde middelen in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel.

4.13.

Appellant heeft de door hem getroffen lijfrentevoorziening − die is opgebouwd in de periode waarin hij als zelfstandige werkzaam was − aangewend om te voorzien in een inkomen voor de periode tussen het definitieve beëindigen van zijn beroepswerkzaamheden in juli 2010 en het bereiken van de (oorspronkelijke) pensioengerechtigde leeftijd op

20 maart 2014. Dit is in december 2009 vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met de lijfrenteverzekeraar.

4.14.

Op grond van artikel 7a van de AOW is als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328) met ingang van 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd stapsgewijs verhoogd. Als gevolg van deze wetswijziging is het

AOW-pensioen van appellant niet ingegaan op 20 maart 2014, zoals voor de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd het geval zou zijn geweest, maar op

20 mei 2014.

4.15.

Appellant heeft, tweeëneenhalf jaar voor de indiening van het voorstel van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, de wijze van aanwenden van de lijfrentevoorziening in een overeenkomst met de lijfrenteverzekeraar vastgelegd. De

lijfrente-uitkering heeft twee jaar vóór deze indiening een aanvang genomen en heeft een looptijd van 4 jaar en acht maanden voorafgaand aan de (oorspronkelijke) pensioengerechtigde leeftijd. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat een voormalig zelfstandige in een situatie als die van appellant op het moment van de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd vrij heeft kunnen beschikken over de lijfrentevoorziening.

4.16.

Daaraan doet niet af dat lijfrentevoorzieningen in het algemeen worden afgesloten in aanvulling op een ouderdomsvoorziening en als zogeheten derdepijlerpensioen worden beschouwd. Anders dan voor werknemers, geldt immers voor zelfstandigen dat de mogelijkheid van het afsluiten van een lijfrenteverzekering in de plaats komt van het tweedepijlerpensioen. Ook in de Nota van Toelichting bij de OBR is onderkend dat zelfstandigen in dit opzicht in een andere positie verkeren dan werknemers.

4.17.

Aan het voorgaande doet evenmin af dat in de OBR voor zelfstandigen een extra pensioenvermogenvrijlating is opgenomen. Deze vrijlating sluit immers niet uit dat een zelfstandige na het aanwenden van een lijfrentevoorziening geen vermogen meer heeft, dan wel een zodanig gering vermogen dat de zelfstandige niet in staat is de gevolgen van het verschuiven van de pensioengerechtigde leeftijd op te vangen. Nu in een situatie van een voormalige zelfstandige als die van appellant niet gezegd kan worden dat de lijfrentevoorziening op het moment van de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd vrij beschikbaar is, kan de staatssecretaris niet worden gevolgd in haar visie dat er bij een lijfrente geen te compenseren inkomensverlies is.

4.18.

Het betoog van de Svb en de staatssecretaris dat erop neerkomt dat voorkomen moet worden dat alle kleine lijfrentevoorzieningen die door meer dan één miljoen particulieren zijn afgesloten in ogenschouw moeten worden genomen, kan er niet toe leiden dat de

lijfrente-uitkering van een zelfstandige op basis van een overeenkomst die is gesloten vóór de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, en zelfs vóór de indiening van het betreffende wetsvoorstel en was gericht op het overbruggen van de periode tussen het beëindigen van de beroepsarbeid en het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, op één lijn moet worden gesteld met “alle overige lijfrentevoorzieningen”.

4.19.

De Svb heeft aangevoerd dat het vanaf 1 januari 2006 fiscaal niet meer mogelijk is een tijdelijke overbruggingslijfrente af te sluiten voor lijfrentetegoeden die na 2006 zijn opgebouwd. Deze omstandigheid draagt niet bij aan de rechtvaardiging van het onderscheid, die moet worden beschouwd tegen de achtergrond van de specifieke doelstelling van de OBR: het tegemoetkomen aan een overbruggingsprobleem bij mensen met een laag inkomen als gevolg van de verschuiving van de pensioengerechtigde leeftijd ingevolge de AOW.

4.20.

Geconcludeerd wordt dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die aan de wetgever toekomt, het gehanteerde onderscheid in situaties als die van appellant niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staat tot het daarmee nagestreefde doel. Voor het onderscheid tussen de hiervoor bedoelde voormalig zelfstandige en de voormalig werknemer met een afvloeiingsregeling bestaat derhalve geen toereikende rechtvaardiging. Het verschil in behandeling is daarom discriminerend. Ten onrechte heeft de Svb bij de berekening van de overbruggingsuitkering het eindigen van de lijfrente-uitkering buiten beschouwing gelaten.

4.21.

Er bestaat aanleiding om met toepassing artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht de Svb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de Svb op binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 1 augustus 2014 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van de Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) N. van Rooijen

UM