Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15-5723 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Terugkomen van bestreden besluit. De Raad stelt vast dat de ingangsdatum van de bevordering bij besluit van 23 december 2016 is gewijzigd in 1 november 2010. De korpschef is terecht uitgegaan met betrekking tot de in bezwaar gemaakte kosten, van de bedragen die golden ten tijde van de ontvangst van het bezwaarschrift in 2014. De korpschef dient de wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling van de bezoldiging die verband houdt met de bevordering met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5723 AW, 16/4489 AW

Datum uitspraak: 20 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juli 2015, 15/785, (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De korpschef heeft op 4 mei 2016 en op 23 december 2016 een nader besluit genomen. Appellant heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.C. Holtkamp.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds april 2009 werkzaam als [naam functie] bij de [naam Eenheid] .

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op

1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire) in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Eén van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken ten aanzien van de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming (bevordering) van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP

(schaal 8) is, voor zover hier van belang, als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’.

1.3.

Nadat binnen de [naam Eenheid] aanvankelijk verzoeken om bevordering wegens zwaarwegend dienstbelang werden afgewezen, is op 7 februari 2013 in een overleg van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) besloten dat alle voor 1 januari 2013 ingediende aanvragen (opnieuw) in behandeling worden genomen conform de circulaire. Bij de beoordeling van de aanvragen is alle leidinggevenden gevraagd te motiveren of de betreffende collega geschikt wordt geacht voor de functie van senior GGP. In maart 2013 heeft de CGOP-Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP nadere uitvoeringsafspraken gemaakt. Eén van de afspraken is dat de aanvraag voor bevordering in het kader van het loopbaanbeleid uiterlijk op 31 december 2012 moet zijn ingediend. In het kader van een herstel- en inhaalactie geldt deze voorwaarde niet voor de [naam Eenheid] .

1.4.

Op 26 november 2013 hebben de politiechef en de ondernemingsraad van de [naam Eenheid] nadere afspraken vastgelegd in een beleidsdocument. Op diezelfde datum is bekendgemaakt dat tot 1 februari 2014 aanvragen kunnen worden ingediend.

1.5.

Appellant heeft op 24 maart 2013 een verzoek ingediend om bevordering tot senior GGP. Bij brief van 19 maart 2014 heeft de korpschef appellant meegedeeld dat appellant beschikt over een beoordeling boven de norm, maar niet over een (positief) advies van zijn leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Daarom wordt appellant in de gelegenheid gesteld om (alsnog) de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP door middel van een assessment aan te tonen.

1.6.

Bij brief van 19 mei 2014 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de brief van 19 maart 2014. Appellant meent dat hij de mogelijkheid moet krijgen om de verwachte geschiktheid aan te tonen door alsnog een advies van zijn leidinggevende op te laten stellen.

1.7.

Bij besluit van 18 juli 2014 heeft de korpschef het verzoek om bevordering van appellant afgewezen op de grond dat uit het assessment volgt dat hij niet beschikt over de verwachte geschiktheid voor senior GGP.

1.8.

Bij besluit van 14 januari 2015 heeft de korpschef het bezwaar van appellant tegen de brief van 19 maart 2014 respectievelijk het besluit van 18 juli 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

3.1.

Bij het nadere besluit van 4 mei 2016 heeft de korpschef, naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:5000), zich op het standpunt gesteld dat de medewerker die het assessment niet met positief gevolg heeft afgelegd en bij wie de leidinggevende nog geen uitspraak had gedaan over de verwachte geschiktheid, toch voor bevordering in aanmerking komt als de leidinggevende alsnog positief adviseert. De leidinggevende van appellant heeft op 3 mei 2016 positief geadviseerd over de verwachte geschiktheid van appellant. Nu appellant ook aan de overige voorwaarden voor bevordering voldoet, heeft de korpschef besloten om appellant per 1 maart 2011 te bevorderen tot senior GGP. De korpschef heeft de bevorderingsdatum gebaseerd op de datum waarop het loopbaanbeleid is gaan gelden én appellant drie jaar werkervaring als generalist GGP had. Aan appellant worden de kosten van bezwaar vergoed tot een bedrag van € 974,-, uitgaande van de in 2014 geldende tarieven.

3.2.

Bij het nadere besluit van 23 december 2016 heeft de korpschef de bevorderingsdatum alsnog op 1 november 2010 bepaald.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 4 mei 2016, gewijzigd bij besluit van 23 december 2016, wordt, gelet op artikel 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de beoordeling betrokken.

Aangevallen uitspraak

4.2.

Appellant heeft geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. De korpschef is immers met het besluit van 4 mei 2016, gewijzigd bij besluit van 23 december 2016, teruggekomen van het bestreden besluit. De resterende gronden van appellant komen aan de orde bij de beoordeling van het nader besluit.

4.3.

De Raad zal het hoger beroep van appellant daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Besluit van 4 mei 2016, gewijzigd bij besluit van 23 december 2016

4.4.1.

Appellant kan zich inhoudelijk vinden in de nadere besluiten, maar heeft betoogd dat de korpschef de kosten van het bezwaar had moeten vergoeden aan de hand van de voor 2016 geldende tarieven en in de plaats van het voor 2014 geldende tarief.

4.4.2.

Ingevolge artikel IV, vierde lid, van de Regeling tot indexering van bedragen in de Awb, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken

(Stcrt. 2014, 37105) geldt met ingang van 1 januari 2015 dat het tijdstip van de ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift maatgevend is voor de vraag welk bedrag van toepassing is. In die bepaling is voorts bepaald dat dit niet onverkort geldt wanneer de bestuursrechter de proceskosten vaststelt. In dat geval is het mogelijk dat moet worden uitgegaan van de bedragen zoals die gelden ten tijde van de uitspraak. Het betreft hier niet de vaststelling door de bestuursrechter van de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. De korpschef is dan ook terecht uitgegaan van de bedragen die golden ten tijde van de ontvangst van het bezwaarschrift in 2014.

Pensioengrondslag

4.5.

Appellant heeft tot slot betoogd dat de korpschef het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds op de hoogte moet stellen van wijzigingen van het pensioengevend inkomen in relatie tot zijn bevordering met terugwerkende kracht. Hiermee treedt appellant evenwel buiten de omvang van het geding. Immers liggen in dit hoger beroep uitsluitend ter beoordeling voor de besluiten van de korpschef op het verzoek van appellant om te worden bevorderd tot senior GGP. Dit betoog blijft daarom buiten de beoordeling.

4.6.

Het beroep tegen het nader besluit van 4 mei 2016 zal ongegrond worden verklaard. De Raad stelt vast dat de ingangsdatum van de bevordering bij besluit van 23 december 2016 is gewijzigd in 1 november 2010.

Wettelijke rente

4.7.1.

Op grond van artikel 4:98, eerste lid, van de Awb heeft het verzuim in de betaling van een geldsom de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de

artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.7.2.

Op grond van artikel 6:119, eerste lid, van het BW bestaat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

4.7.3.

Appellant heeft betoogd dat de korpschef wettelijke rente is verschuldigd over de nabetaling van de bezoldiging vanwege zijn bevordering met terugwerkende kracht. Omdat noch de datum van de aanvraag tot bevordering en/of het daarop te nemen besluit, noch het moment waarop het betreffende korps uitvoering is gaan geven aan het loopbaanbeleid bepalend is voor de bevorderingsdatum, is appellant van mening dat het grote tijdsverloop tussen de bevorderingsdatum en de nabetaling en de daaruit ontstane vertragingsschade voor rekening en risico van de korpschef dient te komen. Daarom verzoekt appellant bij wijze van schadevergoeding om toekenning van de wettelijke rente, primair met ingang van de bevorderingsdatum en subsidiair met ingang van het herroepen besluit van 19 maart 2014 dan wel 18 juli 2014.

4.7.4.

De korpschef heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij in het geheel geen wettelijke rente verschuldigd is vanwege het bijzondere karakter van dit loopbaanbeleid en de uitvoeringsafspraken. Op subsidiaire grondslag heeft de korpschef zich wat betreft de (ingangsdatum van de) wettelijke rente gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

4.7.5.

Naar het oordeel van de Raad volgt uit de onder 4.7.1 genoemde bepaling dat de korpschef, anders dan hij primair heeft aangevoerd, wettelijke rente is verschuldigd. Er is immers bezoldiging aan appellant nabetaald. Het beweerde bijzondere karakter van het beleid kan aan de wettelijke verplichting tot vergoeding van wettelijke rente niet afdoen. Het primaire standpunt van de korpschef wordt verworpen.

4.7.6.

Gezien het subsidiaire standpunt van de korpschef en het verhandelde ter zitting komt de Raad in dit geval tot het oordeel dat de korpschef wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de bezoldiging die verband houdt met de bevordering met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2010. Voor de wijze waarop de korpschef de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Uit deze uitspraak volgt dat de wettelijke rente is gaan lopen op 1 december 2010.

4.7.7.

Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente zal dus worden toegewezen.

Proceskosten

5. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 990,- in beroep en € 1.485,- in hoger beroep, in totaal € 2.475,- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 mei 2016 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente

toe, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.7.6;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;
- bepaalt dat de korpschef aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van € 415,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD