Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
16-6275 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank acht de Raad de waardering van het aspect afbreukrisico op zeven punten voldoende gemotiveerd. De functiebeschrijving en de functiewaardering kunnen met ingang van 1 januari 2013 in stand blijven. Betrokkene diende met ingang van diezelfde datum te worden ingepast in de bij de functie behorende salarisschaal, uitloopschaal [schaal C]. De inpassing en de bevordering houden dus eveneens in rechte stand. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6275 AW, 16/6515 AW, 16/8086 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 augustus 2016, 15/2109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

Datum uitspraak: 20 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. M.W. Fransen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft ook hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend. Het college heeft een nader besluit van 24 november 2016 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Fransen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.A. Martens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is werkzaam bij de gemeente [naam] als [naam functie] [schaal A] , [schaal B]) . De gemeente [naam] heeft met ingang van 1 januari 2013 de organisatiestructuur van de Bestuursdienst, de sector Maatschappelijke Zorg en de sector Stedelijke Ontwikkeling en Beheer gewijzigd. Daarbij is de functie van [naam functie] , die voorheen viel onder de afdeling Vastgoed, ondergebracht in het cluster Bouwen, Omgevingsvergunning en Geo-informatie van de afdeling Milieu en Bouwen .

1.2.

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft het college het functieprofiel van de functie van [naam functie] met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld (functiebeschrijving).

1.3.

Bij besluit van 9 juli 2014 heeft het college de functie van [naam functie] met ingang van 1 januari 2013 gewaardeerd in [schaal B] (functiewaardering). De waardering komt in totaal op 76 punten. Voor zover thans van belang zijn aan het aspect afbreukrisico zeven punten toegekend waarbij de volgende toelichting is gegeven: “De deels in de meetsystemen ingebouwde controlemechanismen en de controlemogelijkheden achteraf op de uitgevoerde landmeetkundige werkzaamheden laten de kans op het maken van interpretatie- en verwerkingsfouten bestaan; de consequenties daarvan kunnen in materiële zin van beperkte omvang zijn.”

1.4.

Bij besluit van 10 juli 2014 is betrokkene met ingang van 1 januari 2013 tewerkgesteld in de gewijzigde functie van [naam functie] , [schaal B] (inpassing), en per dezelfde datum vanwege goed functioneren bevorderd naar de uitloopschaal, [schaal C] (bevordering).

1.5.

Bij besluit van 26 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de functiebeschrijving, functiewaardering en inpassing in afwijking van het advies van de Centrale Bezwaarschriften- en klachtencommissie en overeenkomstig het contra-advies van het Hoofd Personeel, Organisatie en Informatiebeleid ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op de bezwaren te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de ingangsdatum van de functiebeschrijving onjuist is en moet worden vastgesteld op 1 januari 2010. Voorts dient de functiewaardering voor het aspect afbreukrisico met vier punten te worden verhoogd, wat overigens niet leidt tot een wijziging van functieschaal. De rechtbank heeft het aan het college gelaten om in de nieuw te nemen beslissing te bepalen wat de gevolgen van de ingangsdatum van de functiebeschrijving zijn voor de bevordering van betrokkene naar uitloopschaal [schaal C] .

3.1.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 24 november 2016 de ingangsdatum van de functiebeschrijving vastgesteld op 1 januari 2010 en de gradering van het gezichtspunt afbreukrisico met vier punten verhoogd en bepaald op elf punten. Voorts heeft het college het salaris van betrokkene met ingang van 1 januari 2013 bepaald op uitloopschaal [schaal C] met acht periodieke verhogingen, zijnde de uitloopschaal, op de grond dat betrokkene op die datum voldeed aan de vereisten voor bevordering naar de uitloopschaal en dat er geen personeelsbeoordeling is op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat betrokkene op een eerder moment alle werkzaamheden uit de functiebeschrijving in volle omvang goed heeft verricht.

3.2.

De Raad zal het besluit van 24 november 2016, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrekken.

4.1.

Betrokkene heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet zelf in de zaak heeft voorzien. Betrokkene is van mening dat hij, nu hij per 1 januari 2010 al het maximum van uitloopschaal [schaal B] had bereikt, met ingang van die datum had moeten worden ingepast in uitloopschaal [schaal C] .

4.2.

Het college heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ingangsdatum van de functiebeschrijving op 1 januari 2010 moet worden gesteld. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de score voor het gezichtspunt afbreukrisico met vier punten moet worden verhoogd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De functiebeschrijving

5.1.

Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, gaat het hier om een organieke functiebeschrijving. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2264) komt daarom bij het vaststellen van de functiebeschrijving aan het bestuursorgaan beleidsvrijheid toe. Anders dan bij een zogenoemde mensfunctiebeschrijving gaat het hier niet om de beschrijving van de feitelijk uitgevoerde of feitelijk opgedragen werkzaamheden, maar om door het bestuursorgaan aan de betrokken ambtenaar opgedragen werkzaamheden, gegeven de inrichting van de organisatie zoals die het bestuursorgaan voor ogen staat. Dit brengt mee dat de rechterlijke toetsing van de organieke functiebeschrijving terughoudend is.

5.2.

De Raad acht, anders dan de rechtbank, voor de ingangsdatum van functiebeschrijving niet van belang dat betrokkene sinds 1 januari 2010 feitelijk een aantal essentiële onderdelen van de werkzaamheden van de functie van [senior functie] heeft verricht. Verwezen wordt naar de uitspraak van 3 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4197). Evenmin is van belang of betrokkene deze werkzaamheden structureel of in het kader van een pilot heeft verricht. Dat de [senior functie] met ingang van 1 januari 2010 met pensioen is gegaan, dat betrokkene daarna een groot deel van diens werkzaamheden heeft overgenomen en dat de gewijzigde organisatiestructuur nog tot

1 januari 2013 op zich heeft laten wachten, neemt niet weg dat het college vrij is om zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten en daarbij de ingangsdatum voor een wijziging van de organisatiestructuur te bepalen, met inbegrip van de gewijzigde functiebeschrijving van de functie van [naam functie] . Betrokkene heeft zijn wens om zijn functiebeschrijving tussentijds aan te passen ettelijke keren bij zijn leidinggevende aangekaart, maar het college niet verzocht om een appellabel besluit te nemen over het door hem gewenste functieonderhoud. Ook is hij niet opgekomen tegen het besluit van het college om hem voor het verrichten van de werkzaamheden van de [senior functie] in december 2012 te belonen met een gratificatie.

5.3.

Uit 5.2 volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ingangsdatum op 1 januari 2010 moet worden vastgesteld. De beroepsgrond van het college slaagt dus.

De functiewaardering

5.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2732) is de rechterlijke toetsing ook bij functiewaardering terughoudend. De rechter moet beoordelen of de waardering op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden waardering niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

5.5.

Anders dan de rechtbank acht de Raad de waardering van het aspect afbreukrisico op zeven punten, gelet op de onder 1.3 vermelde toelichting, voldoende gemotiveerd. Zoals namens het college ter zitting van de Raad nader is toegelicht, volgt uit paragraaf 2.6 van de Methode Funktiewaardering Gemeente [naam] , dat uitgegaan dient te worden van goed functioneren en dat het afbreukrisico ziet op interpretatie- en inschattingsfouten die desondanks gemaakt kunnen worden en niet op meetfouten. Meetresultaten laten immers weinig ruimte voor interpretatie of het maken van een inschatting. Ook deze beroepsgrond van het college slaagt.

De inpassing

5.6.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6927) behoort een ambtenaar te worden ingepast in de bij zijn functie behorende salarisschaal, behalve als sprake is van een duidelijk nog niet voldoende functioneren. Dat laatste speelt in dit geval niet.

5.7.

Nu uit 5.3 en 5.5 volgt dat de functiebeschrijving en de functiewaardering met ingang van 1 januari 2013 in stand kunnen blijven, diende betrokkene met ingang van diezelfde datum te worden ingepast in de bij de functie van [naam functie] behorende salarisschaal [schaal B] , uitloopschaal [schaal C] . De inpassing en de bevordering houden dus eveneens in rechte stand. Het hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

5.8.

Uit 5.3 en 5.5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Daarmee komt aan het besluit van 24 november 2016 de grondslag te ontvallen, zodat dat besluit moet worden vernietigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 24 november 2016.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M.T. Boerlage en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD