Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
16-1568 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na schorsing ontslag wegens wangedrag. De Raad komt tot een ander oordeel. Aangezien de eerst afgelegde verklaringen van appellante haaks staan op de, eveneens eerst afgelegde, verklaringen van de vier collega’s, had de minister nader onderzoek moeten doen naar wat er die bewuste avond op de legeringskamer daadwerkelijk is voorgevallen. Nu de minister dit heeft nagelaten, is dit volstrekt onduidelijk gebleven. Hier komt bij dat er verder geen enkel bewijs van het gebruik van drugs (GHB) door appellante voorhanden is. Nu een deugdelijke feitenvaststelling ontbreekt, heeft de minister dan ook te lichtvaardig op grond van de eerst afgelegde, en later herroepen, verklaringen van appellante besloten om haar wegens wangedrag te ontslaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1568 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
29 januari 2016, 15/5726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 20 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. S.H. Springer hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017. Appellante is verschenen, vergezeld door haar moeder, [moeder appellante], en bijgestaan door drs. Springer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M.R. van den Ende-de Boer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1989, is met ingang van 23 maart 2009 aangesteld bij de Koninklijke Marechaussee. Ze was werkzaam als Medewerker Beveiligingstaken bij de Brigade Den Haag Beveiliging District Koninklijke Marechaussee West.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat medewerkers van deze brigade gezamenlijk drugs zouden hebben gebruikt op een legeringskamer heeft de brigadecommandant van appellante op 30 augustus 2012 een gesprek met haar gevoerd. Diezelfde dag is appellante verhoord als getuige door twee medewerkers van de Sectie Interne Onderzoeken (SIO). Zij heeft het van het getuigeverhoor opgemaakte proces-verbaal niet ondertekend. Na het verhoor is appellante naar huis gestuurd. Met ingang van 16 oktober 2012 is zij geschorst.

1.3.

Bij besluit van 19 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2015 (bestreden besluit), heeft de minister op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement aan appellante per 1 december 2013 ontslag verleend wegens wangedrag. Het wangedrag bestaat eruit dat appellante drugs, namelijk GHB, heeft gebruikt op een legeringskamer in aanwezigheid van andere collega’s.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de verklaringen van appellante van

30 augustus 2012 voldoende blijkt dat zij drugs heeft gebruikt. Aan de latere ontkenning kent de rechtbank minder gewicht toe. De minister heeft terecht geconcludeerd dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedraging, die de kwalificatie van wangedrag rechtvaardigt. De rechtbank acht het ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het wangedrag.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante voert aan dat niet afdoende is vastgesteld dat zij drugs (GHB) heeft gebruikt. Ten onrechte wordt geen waarde gehecht aan de eerste verklaringen van de andere militairen die samen met appellante op dezelfde kamer waren. Deze hebben immers verklaard dat er geen sprake was van drugsgebruik op die bewuste avond. Aan haar is weliswaar een flesje drank aangeboden, maar niet is bevestigd dat daarin drugs zaten.

4.2.

Uit een door appellante overgelegd proces-verbaal van relaas, opgesteld door V, werkzaam bij de SIO, blijkt dat de commandant van de brigade van appellante op 17 september 2012 heeft verklaard dat al geruime tijd in toenemende mate geruchten de ronde deden dat onder haar personeel met enige regelmaat sprake zou zijn van het gezamenlijk voorhanden hebben en gebruiken van drugs. De commandant heeft naar aanleiding hiervan gesprekken gevoerd met een aantal medewerkers en de SIO heeft twee getuigen - waaronder appellante -, een betrokkene en vijf verdachten gehoord.

4.3.

Blijkens het verslag van het gesprek tussen haar brigadecommandant en appellante op 30 augustus 2012 en het proces-verbaal van het getuigeverhoor van appellante door twee medewerkers van de SIO later op diezelfde dag, heeft appellante onder meer verklaard dat ze na afloop van een nachtdienst, een jaar gelden (blijkens het gespreksverslag) dan wel ongeveer twee jaar geleden (blijkens het proces-verbaal), op de legeringskamer van een collega met andere collega’s een keer drugs (GHB) heeft gebruikt, dat zij deze heeft gekregen van de collega’s en dat ook deze collega’s in haar aanwezigheid drugs hebben gebruikt. Tijdens hoorzittingen op 16 oktober 2012 en 23 mei 2013 heeft appellante verklaard dat zij de bewuste avond iets te drinken heeft gekregen waarover collega’s achteraf hebben gezegd dat er GHB in zat. Ze heeft niet bewust drugs gebruikt.

4.4.

Appellante heeft kopieën van processen-verbaal overgelegd van de verhoren op 17, 18, 22 en 25 oktober 2012 van vier collega’s, die op de bewuste avond ook aanwezig zijn geweest. Deze collega’s ontkennen zelf drugs te hebben gebruikt of in bezit te hebben gehad en verklaren dat appellante in hun bijzijn geen drugs heeft gebruikt.

4.5.

De minister heeft zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 5 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3657) op het standpunt gesteld dat de eerst afgelegde verklaring als de meest betrouwbare is te beschouwen. De rechtbank heeft zich hierbij aangesloten en daarbij overwogen dat nu er geen reden was voor twijfel aan de door appellante op 30 augustus 2012 afgelegde verklaring, de minister geen aanleiding behoefde te zien om de verklaringen van de overige militairen in de procedure te betrekken. De Raad komt tot een ander oordeel. Aangezien de eerst afgelegde verklaringen van appellante haaks staan op de, eveneens eerst afgelegde, verklaringen van de vier collega’s, had de minister nader onderzoek moeten doen naar wat er die bewuste avond op de legeringskamer daadwerkelijk is voorgevallen. Nu de minister dit heeft nagelaten, is dit volstrekt onduidelijk gebleven. Hier komt bij dat er verder geen enkel bewijs van het gebruik van drugs (GHB) door appellante voorhanden is. Nu een deugdelijke feitenvaststelling ontbreekt, heeft de minister dan ook te lichtvaardig op grond van de eerst afgelegde, en later herroepen, verklaringen van appellante besloten om haar wegens wangedrag te ontslaan.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De minister zal een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Voor zover het als gevolg van het lange tijdsverloop niet meer mogelijk is om nog deugdelijk feitenonderzoek te verrichten, zal de minister het ontslagbesluit moeten herroepen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 23,- in beroep en € 15,- in hoger beroep aan reiskosten, in totaal € 2.018,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 juni 2015;
- draagt de minister op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen en bepaalt dat tegen
dat besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.018,-;
- bepaalt dat de minister het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD