Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
15/5186 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigenrisicodrager. De Raad oordeelt, onder verwijzing naar zijn uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:390 dat met het besluit van 28 mei 2014 een geldschuld is ontstaan als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Geen betalingstermijn vastgesteld, dan nog geen betalingsverplichting voor betrokkene. Met de brief van 26 juni 2014 wel gebeurd. Die brief dus terecht aangemerkt als besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/233
SZR-Updates.nl 2017-0178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5186 WIA

Datum uitspraak: 7 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

12 juni 2015, 15/169 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Uwv

(appellant)

[betrokkene], te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft afgezien van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Betrokkene is na bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 12 mei 2014 heeft appellant bepaald dat betrokkene, die eigenrisicodrager is, het risico draagt voor het betalen van de WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van een tweetal nader genoemde werknemers.

1.2.

Bij besluit van 14 mei 2014 heeft appellant het besluit van 12 mei 2014 ingetrokken en een gelijkluidend besluit genomen, ditmaal met vermelding van een rechtsmiddelenclausule.

1.3.

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft appellant bepaald dat betrokkene het bedrag dat appellant aan de twee werknemers heeft uitbetaald in de periode van 1 januari 2013 tot

1 mei 2014, ten bedrage van € 41.779,65 aan appellant moet betalen.

1.4.

Bij brief van 26 juni 2014 heeft appellant betrokkene verzocht om het bedrag van

€ 41.779,65 binnen zes weken te betalen. Appellant heeft betrokkene voorts bij deze brief te kennen gegeven dat, indien zij niet binnen deze periode kan betalen, zij aan appellant kan vragen om een verruiming van de betalingstermijn.

1.5.

Bij besluit van 8 december 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het door betrokkene tegen voornoemde vier besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de brief van 26 juni 2014. De rechtbank heeft het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de aangevallen uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.2.

De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1400, tot het oordeel gekomen dat de brief van appellant van 26 juni 2014 niet gericht is op enig rechtsgevolg. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als verweerder en betrokkene als eiseres:

“De verplichting tot terugbetaling van een bedrag van € 41.779,65 was al ontstaan door het terugvorderingsbesluit van 28 mei 2014. Daarnaast kan de brief niet als besluit tot vaststelling van de betalingsplicht als bedoeld in artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht worden gezien, omdat eiseres nog de mogelijkheid wordt geboden om over een betalingsregeling contact op te nemen met het Uwv. Dat verweerder in de brief een bezwaarclausule heeft vermeld, doet hier niet aan af, omdat het vermelden daarvan niet met zich brengt dat daarmee rechtsgevolgen in het leven worden geroepen. Dit betekent dat verweerder het bezwaar tegen de brief van 26 juni 2014 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.”

3. Tegen dit oordeel van de rechtbank heeft appellant in hoger beroep het volgende aangevoerd:

“Ook tegen de achtergrond van de uitspraak van uw Raad van 16 april 2014 waarnaar in [de aangevallen uitspraak] wordt verwezen, blijven wij van mening dat de invorderingsbrief van 26 juni 2014 dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft na de invoering van de vierde tranche van de Awb weloverwogen besloten de invorderingsbrief de status van een besluit te geven.

Daarom is de bestaande redactie van de brief aangevuld met een bezwaarclausule. Er is hiervoor gekozen omdat door invoering van de vierde tranche, en dan met name door de artikelen 4:85 e.v. van de Awb, er pas een betalingsverplichting ontstaat wanneer er een besluit aan de schuldenaar wordt bekendgemaakt dat in ieder geval het terug te vorderen bedrag en de betalingstermijn vermeldt.

Het terugvorderingsbesluit van 28 mei 2014 bevat weliswaar het terug te vorderen bedrag, maar er wordt geen betalingstermijn genoemd. Met andere woorden, het terugvorderingsbesluit van 28 mei 2014 doet nog niet een betalingsverplichting ontstaan.

De invorderingsbeslissing van 26 juni 2014 is naar onze mening daarom op te vatten als een besluit zoals bedoeld in artikel 4:86 Awb. Deze brief is gericht op rechtsgevolg, namelijk het doen ontstaan van een betalingsverplichting. Ook voor het verdere invorderingstraject is het noodzakelijk dat de schuldenaar in verzuim komt. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een opeisbare vordering waarvan de gestelde betalingstermijn is verstreken. Zonder invorderingsbesluit is het voor het Uwv niet mogelijk aan te manen en uiteindelijk in te vorderen bij dwangbevel.

Dat in de betreffende invorderingsbrieven de mogelijkheid wordt geboden om een betalingsregeling af te spreken, maakt dit niet anders. Hoewel de invorderingsbrieven op dit punt aan duidelijkheid te wensen overlaten, is de strekking voldoende duidelijk. Als geen gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om tot een betalingsregeling te komen, blijft de betalingstermijn van zes weken van toepassing”.

4. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:390, komt de Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.1.2.

Met ingang van 1 juli 2009 zijn in Titel 4.4 van de Awb bepalingen opgenomen over bestuursrechtelijke geldschulden.

4.1.3.

In artikel 4:85 van de Awb is het volgende bepaald:

1. Deze titel is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit:

a. een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of

b. een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.

2. Deze titel is niet van toepassing op verplichtingen tot betaling van een geldsom voor het in behandeling nemen van een aanvraag.

3. Deze titel is niet van toepassing op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd.

4.1.4.

In artikel 4:86 van de Awb is het volgende bepaald:

1. De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. de te betalen geldsom;

b. de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden.

4.2.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:86 van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3 blz. 32 tot en met 34) volgt dat hiermee is beoogd voor de schuldenaar duidelijk te maken waarom hij een geldsom is verschuldigd en welk bedrag hij moet betalen binnen welke termijn. Hoofdregel is dat een verplichting tot betaling eerst ontstaat nadat een beschikking tot stand is gekomen waarin is vastgesteld hoe hoog de schuld precies is en binnen welke termijn moet worden betaald. Hieruit volgt dat de elementen die tezamen een betalingsverplichting doen ontstaan alle in één besluit moeten worden opgenomen.

4.3.

Met het in 1.3 genoemde besluit van 28 mei 2014 is een geldschuld ontstaan als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Omdat de termijn waarbinnen betaling van deze geldschuld moet plaatsvinden niet is vastgesteld, is met het besluit van

28 mei 2014 nog geen betalingsverplichting voor betrokkene in het leven geroepen. Dat is eerst gebeurd met de in 1.4. vermelde brief van 26 juni 2014. In zoverre is die brief gericht op rechtsgevolg en door het Uwv dus terecht aangemerkt als een besluit.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 26 juni 2014 kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb door betrokkene beroep kon worden ingesteld. Het enkele feit dat in de brief is vermeld dat betrokkene, in geval zij de geldsom niet binnen de termijn van zes weken zou kunnen betalen, contact met het Uwv kan opnemen voor een verruiming van de termijn, maakt dit niet anders, omdat het bieden van deze mogelijkheid de gestelde betalingstermijn als zodanig niet ongedaan maakt.

4.5.

Wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 december 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E. Dijt en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) N. van Rooijen

UM