Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2497

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
16/5178 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag in 2015. De financiële situatie is niet uiteengezet. Appellant heeft niet duidelijk gemaakt hoe hij in juni 2013 de erfenis heeft besteed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5178 PW

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 juni 2016, 15/7918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Mulder, advocaat, die de behandeling van de zaak heeft overgenomen van mr. Dayala. Het college, is met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 17 juli 2013 het college gemeld dat hij vanaf 1 juli 2013 geen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand meer wenst te ontvangen, omdat hij in zijn levensonderhoud kan voorzien door een ontvangen erfenis. Het college heeft bij besluit van 19 juli 2013 de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2013 ingetrokken.

1.2.

Op 20 juni 2013 heeft appellant zijn erfdeel uit de nalatenschap van zijn moeder tot een bedrag van € 107.882,94 ontvangen op zijn vermogensspaarrekening bij de ABN AMRO. Daarvan is op 27 juni 2013 een bedrag van € 57.000,- overgemaakt op de bankrekening van appellant. Van deze rekening heeft appellant tussen 28 juni 2013 en 3 juli 2013 een bedrag van in totaal € 36.000,- contant opgenomen bij geldautomaten.

1.3.

Op 1 juli 2015 heeft appellant bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet.

1.4.

Bij besluit van 25 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft of en, zo ja, hoe hij het contant opgenomen bedrag van € 36.000,- daadwerkelijk heeft besteed. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, samengevat, het volgende aangevoerd. Appellant betwist de inlichtingenverplichting te hebben geschonden. Hij heeft het ontvangen bedrag van de erfenis gemeld, een overzicht van zijn uitgaven verstrekt en zijn medewerking verleend aan een huisbezoek. Het college heeft hem ten tijde van de verkrijging van de erfenis ten onrechte niet geïnformeerd dat hij bij een toekomstige aanvraag om bijstand zijn financiële situatie met stukken moet verantwoorden. Met het overzicht van zijn uitgaven van 23 oktober 2015 heeft hij niettemin aannemelijk gemaakt op welke wijze hij het bedrag van € 36.000,- heeft besteed. Met dit bedrag heeft hij ook de apparatuur aangeschaft die tijdens het huisbezoek is aangetroffen. Appellant heeft geen bonnen of bewijzen, omdat deze niet zijn verstrekt of hij deze heeft weggegooid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen

tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de

onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Gelet op de op appellant rustende bewijslast genoemd in 4.1 was het college, anders dan appellant heeft betoogd, niet gehouden hem voorafgaand aan de aanvraag te informeren op welke wijze hij aan zijn bewijslast kan voldoen.

4.3.

Appellant heeft, anders dan hij stelt, niet de nodige duidelijkheid over zijn financiële situatie verschaft. Hij heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat en hoe hij het opgenomen bedrag van in totaal € 36.000,- heeft besteed. Aan het door hem opgestelde overzicht van uitgaven van 23 oktober 2015 kan daarom niet de betekenis worden toegekend die appellant daaraan toegekend wil zien. Dit geldt ook voor zijn betoog dat de bij het huisbezoek aangetroffen apparatuur met het opgenomen bedrag is aangeschaft.

4.4.

Nu appellant bij zijn aanvraag om bijstand niet de nodige duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) P.C. de Wit

IJ