Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
16/2600 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het overgangsrecht Wet hervorming kindregelingen is niet op appellant van toepassing vanwege het ontbreken van de volledige zorg voor zijn zoon op de peildatum. geen zeer bijzondere omstandigheden die tot afstemming nopen. Appellant verzorgt zijn zoon ten dele en kan met de ex-partner, die het kindgebonden budget ontvangt, afspraken maken over de verdeling van de alleenstaande ouder-kop.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 4
Wet werk en bijstand 18
Wet werk en bijstand 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/258
USZ 2017/310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2600 PW

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

15 maart 2016, 15/3077 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Opsterland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A. van Wieren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk overgelegd.

De zaak is ter zitting van de enkelvoudige kamer aan de orde gesteld op 17 januari 2017. Partijen zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen. De enkelvoudige kamer heeft de behandeling vervolgens geschorst en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Namens appellant is mr. Van Wieren verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Bruinse.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 10 juni 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant stond ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen (brp) op het adres [adres] te [woonplaats], op welk adres sinds 5 juli 2011 eveneens zijn minderjarige zoon stond ingeschreven. In het kader van de aanvraag om bijstand heeft appellant opgegeven dat zijn ex-partner was opgenomen in een GGZ-instelling en dat hij de volledige zorg voor zijn zoon had.

1.2.

In verband met de invoering van de kostendelersnorm in de Participatiewet (PW) heeft een casemanager werk en inkomen van de gemeente Opsterland op 4 februari 2015 een gesprek met appellant gevoerd. Appellant heeft daarbij verklaard dat zijn ex-partner in 2011 tijdelijk was opgenomen in de GGZ-instelling en dat zijn zoon sindsdien af en toe bij zijn

ex-partner verbleef zonder dat sprake was van een vaste bezoekregeling. Sinds medio mei 2014 is er een zekere mate van structuur gegroeid in de bezoekregeling en verblijft de zoon van appellant meerdere dagen per week bij de ex-partner van appellant. Daarbij heeft appellant opgave gedaan van de dagen gedurende welke zijn zoon bij hem en bij zijn

ex-partner verblijft. De ex-partner van appellant heeft hun zoon, zonder medeweten van appellant, met ingang van 14 januari 2015 in de brp laten inschrijven op haar adres.

1.3.

Bij besluit van 12 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 1 januari 2015 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande en bepaald dat de kostendelersnorm niet op appellant van toepassing is omdat hij de kosten niet kan delen. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de maand januari 2015 tot een bedrag van € 137,26 van appellant teruggevorderd, omdat het college de bijstand over deze maand ten onrechte heeft uitbetaald naar de vervallen norm voor een alleenstaande ouder. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant geen alleenstaande ouder meer is omdat hij niet langer de volledige zorg voor een of meer tot zijn last komende kinderen heeft. In dit geval is er sprake van co-ouderschap. Per 1 januari 2015 is de bijstandsnorm voor de alleenstaande ouder vervallen. De norm voor een alleenstaande ouder is per die datum gelijk aan die voor een alleenstaande. Daarvoor in de plaats is een alleenstaande ouder-kop

(alo-kop) gekomen als onderdeel van het kindgebonden budget, een toeslag die wordt uitbetaald door de Belastingdienst. Het is in geval van co-ouderschap aan de verzorgende ouders zelf om bij verdeling van de zorg, ook de middelen uit het kindgebonden budget onderling te verdelen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat zijn feitelijke situatie na 1 januari 2015 niet is veranderd omdat hij nog steeds meer dan de helft van de zorgtaken vervult. Hij moet dan ook als alleenstaande ouder worden beschouwd en heeft daarom op grond van het overgangsrecht van artikel XII, tweede lid, van de Wet hervorming kindregelingen, tot 1 januari 2016 recht op een verhoging van de bijstand. Het enkele feit dat voor co-ouderschap wordt gekozen, mag er niet toe leiden dat de betrokkenen door de nieuwe wetgeving in een financieel nadeliger positie komen. In het verlengde van het overgangsrecht zou aanspraak bestaan op een gedeeltelijke verhoging van de bijstand, voor het deel dat de co-ouder aanspraak had op de alleenstaande oudernorm. In elk geval had het college een maatwerkoplossing moeten bieden, omdat de ex-partner van appellant het kindgebonden budget en de kinderbijslag ontvangt en zij niet wil meewerken aan de verdeling daarvan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen (Stb. 2014, 227) in werking getreden. Bij deze wet zijn de regelingen met betrekking tot de bijdrage van de Nederlandse overheid in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen herzien. Uit artikel 21, aanhef en onder a, van de PW volgt dat de bijstandsnorm voor een ‘alleenstaande ouder’ gelijk is gesteld aan de bijstandsnorm voor een ‘alleenstaande’. In de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders wordt voorzien door middel van een alo-kop, als onderdeel van het kindgebonden budget, een toeslag die wordt uitbetaald door de Belastingdienst. Het begrip ‘alleenstaande ouder’ is in de PW gehandhaafd en heeft voor andere aspecten van de PW (bijvoorbeeld ten aanzien van de arbeidsinschakeling en de in aanmerking te nemen middelen) nog wel betekenis.

4.2.

Op grond van het overgangsrecht ingevolge artikel XII, tweede lid, van de Wet hervorming kindregelingen, zoals dat gold op 1 januari 2015, is voor de persoon die op 31 december 2014 recht had op algemene bijstand op grond van de WWB, de op hem van toepassing zijnde norm een norm voor een alleenstaande ouder was en hij geen aanspraak heeft op de verhoging van het kindgebonden budget, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget omdat hij een partner heeft als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, tot 1 januari 2016 in afwijking van de artikelen 20 tot en met 22a van de Participatiewet, de norm per kalendermaand, indien het betreft:

(…)

b. een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en op wie

een norm voor alleenstaande ouders van toepassing is: € 1.191,18 [per 1 januari 2015: € 1.235,35] ;

(…)

4.3.

Gelet op het verhandelde ter zitting is niet langer in geschil dat het overgangsrecht van artikel XII, tweede lid, van de Wet hervorming kindregelingen niet op appellant van toepassing is, reeds omdat appellant geen partner heeft als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Appellant heeft echter betoogd dat hij alleenstaande ouder is en het college daarom het overgangsrecht overeenkomstig op zijn situatie had moeten toepassen.

4.4.

Anders dan appellant heeft betoogd, heeft het college hem op juiste gronden niet langer aangemerkt als alleenstaande ouder. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW, dat gelijkluidend is aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, kan van een alleenstaande ouder alleen sprake zijn als iemand de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen. Die situatie deed zich bij appellant reeds vanaf mei 2014 niet voor, omdat appellant en zijn ex-partner afwisselend voor hun zoon zorgden. Dat appellant veel meer dan de helft van de zorg had voor zijn zoon, zoals hij heeft gesteld, maakt niet dat hij als alleenstaande ouder in de zin van de PW en het overgangsrecht van de Wet hervorming kindregelingen moet worden aangemerkt. Nu appellant reeds voor 31 december 2014 niet als alleenstaande ouder was aan te merken, omdat ook toen al geen sprake was van volledige zorg, slaagt de beroepsgrond van appellant dat het college het overgangsrecht, al dan niet gedeeltelijk, overeenkomstig had moeten toepassen, niet.

4.5.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW had moeten afstemmen op de omstandigheden van appellant.

4.6.1.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de PW, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak is voor een dergelijke afstemming slechts plaats in zeer bijzondere situaties (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8450). Deze rechtspraak heeft zijn gelding onder de PW behouden.

4.6.2.

Het college heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het aan appellant zelf is om met zijn ex-partner afspraken te maken over de verdeling van het kindgebonden budget. De stelling dat appellant en zijn ex-partner niet tot een oplossing komen, maakt op zichzelf niet dat het college de zorgplicht heeft om appellant financieel te compenseren. Daarbij komt dat appellant niet heeft onderbouwd dat hij en zijn ex-partner geen afspraken zouden kunnen maken over de verdeling van het kindgebonden budget. Uit het door het college overgelegde mailbericht van de ex-partner van 16 juni 2016 blijkt juist dat zij met appellant is overeengekomen op welke wijze zij de besteding van het kindgebonden budget ten behoeve van hun zoon verantwoordt. Het college heeft dan ook, gelet op wat appellant heeft aangevoerd, geen reden hoeven zien om in zijn geval met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de bijstand af te stemmen.

4.7.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M. ter Brugge en

J.T.H. Zimmerman als leden in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C.A.E. Bon

HD