Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
16/6262 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:6582, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft ten onrechte slechts het beroep gegrond verklaard zonder het bestreden besluit te vernietigen en daaraan rechtsgevolgen te verbinden. De Raad vernietigt het bestreden besluit alsnog omdat de verzending van de brief met het verzoek om gronden niet aannemelijk is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6262 PW

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 augustus 2016, 16/1826 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgmeester en wethouders van Barendrecht (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.C.J.L. Huurman, advocaat, een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Wiekeraad. Namens betrokkene is verschenen mr. Huurman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 6 november 2015 heeft appellant de aan betrokkene opgelegde arbeidsverplichting gewijzigd in die zin dat betrokkene tot 1 november 2016 wordt vrijgesteld van een aantal van de daarin genoemde verplichtingen.

1.2.

Appellant heeft bij brief van 4 december 2015 aan de gemachtigde van betrokkene meegedeeld dat het bezwaarschrift van 19 november 2015 niet is voorzien van de gronden van het bezwaar en dat deze binnen twee weken na de verzenddatum van deze brief van

4 december 2015 moeten worden ingediend.

1.3.

Bij besluit van 23 februari 2016 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene de gronden van het bezwaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn van twee weken heeft ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, appellant in de proceskosten van betrokkene veroordeeld en bepaald dat appellant aan betrokkene het betaalde griffierecht vergoedt. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat appellant de verzending van de brief van 4 december 2015 niet aannemelijk heeft gemaakt. Niet is gebleken dat van de daadwerkelijke overdracht van de brieven aan de medewerker van PostNL een registratie wordt bijgehouden.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt dat de rechtbank het beroep van betrokkene ten onrechte slechts gegrond heeft verklaard, zonder daarbij te bepalen welke rechtsgevolgen hieraan worden verbonden. Voorts stelt appellant dat de brief van 4 december 2015 overeenkomstig de interne werkprocessen is verwerkt en geregistreerd, waarna deze is aangeboden aan een externe postverwerker. Van appellant kan niet worden verwacht dat poststukken die worden aangeboden aan een externe postverwerker nog eens afzonderlijk worden geregistreerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slaagt. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar nagelaten het besluit van 23 februari 2016 geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, behalve de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht.

4.2.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad beoordelen of het beroep tegen het bestreden besluit slaagt en, zo ja, welke rechtsgevolgen hieraan worden verbonden.

4.3.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van die stukken op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken (vergelijk de uitspraak van de Raad van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423).

4.4.

Vaststaat dat de brief van 4 december 2015 niet aangetekend is verzonden. Uit het door appellant overgelegde werkproces met betrekking tot het verzenden van post blijkt onder andere het volgende. De te verzenden post wordt opgehaald bij de afdeling postregistratie. Deze afdeling plaatst hierop een verzenddatum en registreert deze datum in het digitaal postregistratiesysteem “Verseon”. Elke brief moet worden voorzien van een “Verseonnummer”. Vervolgens wordt de te verzenden post naar de postkamer gebracht, waar de post verzendklaar wordt gemaakt (enveloppen dicht plakken, stempelen, tellen en het invoeren van de verzendgegevens op de website van PostNL). Vervolgens komt een extern koeriersbedrijf op een vast tijdstip de post ophalen om deze aan te bieden aan PostNL.

4.5.

Anders dan appellant stelt, biedt de in 4.4 omschreven werkwijze onvoldoende waarborgen om aan te kunnen nemen dat de brief van 4 december 2015 op die dag daadwerkelijk aan betrokkene is verzonden. Daarbij is van belang dat uit deze werkwijze blijkt dat de postkamer van de daadwerkelijk uitgaande post door overdracht van de post aan het externe koeriersbedrijf geen aantekening in het systeem of registratie bijhoudt. Appellant heeft dit ter zitting van de Raad bevestigd. Daardoor is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellant de verzending van de brief van 4 december 2015 niet aannemelijk heeft gemaakt. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.7.

De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat het college geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over het bezwaar. Appellant zal worden opgedragen daarover een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

4.8.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door appellant te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over proceskosten en

griffierecht is beslist;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 februari 2016;

- draagt appellant op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) P.C. de Wit

HD