Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
15/4145 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3888, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering in verband met toeslag 10% in plaats van 20% in verband met inkomen kind. Verwijt. Afwijzing langdurigheidstoeslag in verband met niet afgeloste vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4145 WWB, 15/4146 WWB

Datum uitspraak: 17 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 juni 2015, 14/6863 en 14/6864 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.L.M. Klinkhamer hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift alsmede nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Voor appellante is, daartoe opgeroepen, verschenen mr. Klinkhamer. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 15 mei 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 20% van het netto minimumloon. Haar inwonende zoon [naam zoon] (zoon), geboren op [geboortedatum] 1991, is op 1 september 2013 gestart met een HBO-opleiding. Vanaf dat moment ontving hij studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Op 6 mei 2014 heeft appellante een aanvraag om langdurigheidstoeslag ingediend.

1.2.

Tijdens de behandeling van de aanvraag om langdurigheidstoeslag is gebleken dat de zoon van appellante inkomsten heeft genoten die lagen boven de voor hem toepasselijke norm als bedoeld in artikel 3.18 van de Wsf 2000.

1.3.

Bij besluit van 22 mei 2014 (besluit 1) heeft het college de gemeentelijke toeslag per

1 september 2013 verlaagd van 20% naar 10% van het netto minimumloon op de grond dat appellante vanaf dat moment de noodzakelijke kosten van het bestaan kon delen met haar zoon. Bij afzonderlijk besluit van 22 mei 2014 (besluit 2) heeft het college voorts de teveel gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2013 tot en met 30 april 2014 tot een bedrag van € 696,36 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van eveneens 22 mei 2014 (besluit 3) heeft het college de aanvraag om langdurigheidstoeslag afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 16 september 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij besluit van eveneens 16 september 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat appellante tijdens de referteperiode te veel bijstand heeft ontvangen. Omdat appellante het bij besluit 2 vastgestelde terugvorderingsbedrag nog niet volledig heeft terugbetaald, heeft zij in de referteperiode een hoger inkomen genoten dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Om die reden heeft appellante geen recht op langdurigheidstoeslag over het jaar 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat besluit ziet op de maanden november 2013, januari 2014 en april 2014, omdat de inkomsten van de zoon in deze maanden niet boven het in artikel 3.18 van de Wsf 2000 genoemde bedrag uitkwamen, en de hoogte van de terugvordering vastgesteld op € 434,22. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de bestreden besluiten niet heeft vernietigd en tegen de vaststelling van de terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening van de toeslag van 20% naar 10%

4.1.

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de norm voor een alleenstaande met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wsf 2000 (normbedrag).

4.2.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de WWB. Artikel 30, eerste lid, van de WWB bepaalt dat in de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB, de gemeenteraad vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.

4.3.

De in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde verordening is de Verordening toeslagen en verlagingen Rotterdam 2012 (verordening).

4.4.

Artikel 3, eerste lid, van de verordening luidt als volgt:

1. De toeslag bedraagt voor een alleenstaande van 23 jaar of ouder of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder:

a. 20% als in de woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft dan:

1) zijn ten laste komende kinderen; of

2) thuisinwonende kinderen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet;

b. 20% als hij onderhuurder is en door middel van een schriftelijke onderhuurovereenkomst en betaalbewijzen aantoont een commerciële huurprijs verschuldigd te zijn;

c. 10% als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, anders dan een persoon bedoeld in onderdeel a, en hij geen onderhuurder is als bedoeld onder b.

4.5.

Ingevolge artikel 6 van de verordening kan het college in bijzondere gevallen van deze verordening afwijken voor zover toepassing, gelet op de bedoelingen van de wet en de verordening, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.6.

Niet in geschil is dat de zoon van appellante met ingang van 1 september 2013 studiefinanciering heeft ontvangen ter hoogte van het normbedrag. Tevens is niet in geschil dat hij, naast zijn studiefinanciering, in de maanden september 2013, oktober 2013, december 2013, februari 2014 en maart 2014 inkomsten uit arbeid heeft genoten, en dus meer inkomen had dan het normbedrag. De zoon van appellante was daarom in deze maanden geen thuisinwonend kind als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB, zodat uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c van de verordening volgt, dat de toeslag voor appellante 10% bedroeg.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat ook in de maanden waarin haar zoon wel inkomsten ontving, de kosten niet konden worden gedeeld omdat deze inkomsten zeer laag waren. Door de inhoudingen op haar bijstand heeft appellante diverse betalingsachterstanden opgelopen en heeft zij betalingsregelingen moeten treffen. Zij beroept zich op het bepaalde in artikel 6 van de verordening.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals ook blijkt uit de uitspraak van 15 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4361, maakt de enkele omstandigheid dat het bedrag van de overschrijding van het normbedrag gering is, niet dat het college in verband met bijzondere hardheid van verlaging van de toeslag had moeten afzien. In wat appellante voorts heeft aangevoerd zijn evenmin bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college dat wel diende te doen.

4.9.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat zij zowel telefonisch als middels een begeleidend schrijven van 27 september 2013, gevoegd bij een door haar overgelegd wijzigingsformulier, heeft gemeld dat haar zoon studiefinanciering alsmede zeer geringe inkomsten uit arbeid ontvangt. Voorts heeft appellante betoogd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, nu het college zelf heeft erkend dat zij niet goed is geïnformeerd over de geldende regels met betrekking tot het ontvangen van inkomen door kinderen van 18 jaar en ouder. Daarbij heeft zij erop gewezen dat het college zich om die reden op het standpunt heeft gesteld dat zij geen fraude heeft gepleegd.

4.10.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat appellante tijdig aan het college heeft gemeld dat haar zoon inkomsten uit arbeid genoot. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college de brief van 27 september 2013 heeft ontvangen. Bovendien vermeldt de inhoud van deze brief niets over het feit dat de zoon van appellante behalve inkomsten uit studiefinanciering ook inkomsten uit arbeid genoot. Uit de computersystemen van de gemeente Rotterdam blijkt niet dat appellante heeft gebeld om de onder 4.9 genoemde wijzigingen door te geven.

4.11.

Voor het antwoord op de vraag of appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, is niet relevant of sprake is van fraude in strafrechtelijke zin dan wel of zij bewust de informatie voor het college heeft willen achterhouden. De in artikel 17 van de WWB neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Slechts beoordeeld moet worden of appellante de wijzigingen in de inkomenssituatie van haar inwonende zoon had moeten melden en of zij dit heeft nagelaten. Dat laatste is, zoals hiervoor reeds in 4.10 is vastgesteld, het geval. Het enkele feit dat het college haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de geldende regels, maakt dus niet dat appellante de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Het college heeft in de onvolledige informatieverstrekking echter wel aanleiding gezien af te zien van het opleggen van een boete.

4.12.

Nu appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het college gehouden de toeslag te herzien en de gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

Langdurigheidstoeslag

4.13.

Artikel 36, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verstrekt aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB en geen uitzicht op inkomensverbetering heeft.

4.14.

In artikel 2, eerste lid, aanhef a en onder b, van de Verordening langdurigheidstoeslag Rotterdam 2009 (verordening langdurigheidstoeslag) is bepaald dat onder langdurig als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WWB moet worden verstaan een aaneengesloten periode gelijk aan de referteperiode (zijnde een aaneengesloten periode van 60 maanden voorafgaande aan de peildatum) en dat onder laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WWB moet worden verstaan inkomen dat niet hoger is dan de voor de belanghebbende toepasselijke norm.

4.15.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante gedurende de referteperiode van

60 maanden voorafgaande aan de aanvraag een inkomen boven bijstandsniveau heeft ontvangen.

4.16.

Vaststaat dat appellante binnen de referteperiode als gevolg van het (gedeeltelijk) ten onrechte ontvangen van een toeslag van 20%, meer bijstand heeft genoten dan de voor haar toepasselijke norm.

4.17.

Appellante heeft aangevoerd dat zij feitelijk nooit inkomen heeft ontvangen boven bijstandsniveau omdat zij de teveel genoten bijstand moest terugbetalen aan het college. Het college had de vordering volledig kunnen aflossen middels verrekening met het nog opstaande bedrag aan vakantiegeld van € 513,83. Appellante meende dat het college dit ook had gedaan, omdat zij het vakantiegeld nooit uitgekeerd heeft gekregen.

4.18.1.

Anders dan appellante betoogt, heeft het college, zoals blijkt uit de terugvorderingsspecificaties, de in april 2014 bestaande vakantiegeldreservering ter hoogte van € 513,83 bij besluit 1 van 22 mei 2014 verrekend in verband met de verlaagde toeslag en aldus het bedrag van de terugvordering na herziening uitgerekend. Over de maanden september 2013 tot en met december 2013 bedroeg die terugvordering de uitkomst van de netto uitgekeerde bijstand tot een bedrag van € 880,16 (zijnde de toegepaste norm plus

20% tot een bedrag van € 926,48 minus de vakantiegeldreservering tot een bedrag van € 46,32) verminderd met een bedrag van € 794,12 (de toepasselijke norm plus 10%) = € 86,04 per maand, over die vier maanden dus samen een bedrag van € 344,16. Over de maanden januari 2014 tot en met april 2014 bedroeg die terugvordering de uitkomst van de netto uitgekeerde bijstand tot een bedrag van € 900,77 (zijnde de toegepaste norm plus 20% tot een bedrag van € 948,18 minus de vakantiegeldreservering tot een bedrag van € 47,41) verminderd met een bedrag van € 812,72 (de toepasselijke norm plus 10%) = € 88,05 per maand, over die vier maanden dus samen een bedrag van € 352,20. De terugvordering over de te beoordelen periode samen was dus een bedrag van € 696,36, zoals in besluit 1 is neergelegd. Met andere woorden, het over die maanden gereserveerde vakantiegeld is betrokken bij de herziening en de berekening van de terugvordering, niet door uit te gaan van de norm plus de ten onrechte toegepaste toeslag, maar door van de netto uitbetaalde bijstand de toepasselijke norm en de toepasselijke toeslag af te trekken en slechts dat terug te vorderen. Appellante verloor daardoor dus haar aanspraak op het over die maand gereserveerde vakantiegeld. Dit vormde immers het verschil tussen wat netto aan bijstand is uitgekeerd en de ten onrechte toegepaste toeslag, op welk verschil zij ook geen recht meer had. Vervolgens heeft het college het resterende bedrag aan vakantiegeld, namelijk over de maanden juni, juli en augustus 2013 tot een bedrag van € 138,91 verrekend met de terugvordering, zodat per mei 2014 een bedrag € 556,45 van terugvordering resteerde. Met deze verrekening was de terugvordering dus nog niet geheel afgelost.

4.18.2.

De rechtbank heeft de terugvordering met juistheid vastgesteld op een bedrag van € 434,22 door het bedrag van de oorspronkelijke terugvordering tot een bedrag van € 696,36 te verminderen met een bedrag van € 86,04 over de maand november 2013 en twee keer een bedrag van € 88,05 over de maanden januari en april 2014. Nu door de herziening ten gevolge van de uitspraak van de rechtbank de reservering van het vakantiegeld over die drie maanden niet verrekend is, had appellante dus in mei 2014 nog een aanspraak op het gereserveerde vakantiegeld over de maanden juni, juli, augustus en november 2013 en januari en april 2014 tot een bedrag van € 281,05. Dit betekent dat van de door de rechtbank vastgestelde terugvordering na een verrekening van de aanspraak op vakantiegeld in mei 2014 nog een bedrag van € 153,17 resteerde. Dit voert tot de conclusie dat de terugvordering op het moment van de aanvraag om langdurigheidstoeslag nog niet geheel was afgelost en dat appellante tijdens de referteperiode een inkomen heeft gehad dat hoger was dan de voor haar toepasselijke norm plus toeslag.

4.19.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) L.V. van Donk

HD