Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
17/4565 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Appellant is geen belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4565 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de president van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (verweerder)

Datum uitspraak: 17 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft S.A.J.T. Hoogendoorn beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van appellant om de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing op te leggen aan mr. S., rechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij brief van 6 april 2017 heeft appellant de rechtbank, voor zover van belang, verzocht om de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing op te leggen aan mr. S. wegens schending van artikel 46c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).

1.2.

Bij brief van 6 juni 2017 heeft appellant verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek.

2. Appellant heeft bij brief van 23 juni 2017 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek. Daarbij is tevens verzocht om met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de verbeurde dwangsom vast te stellen, verweerder met toepassing van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb op te dragen binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak op het beroep alsnog een beslissing op het verzoek bekend te maken en met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een nadere dwangsom verbeurt voor iedere dag waarmee de hiervoor bedoelde termijn wordt overschreden, waarbij de hoogte van de dwangsom € 250,- per dag bedraagt, met een maximum van € 35.000,-.

3. De Raad komt ambtshalve tot de volgende beoordeling.

3.1.1.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.1.2.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

3.1.3.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

3.1.4.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

3.1.5.

Ingevolge artikel 46c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrra kan ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing worden opgelegd, indien hij de waardigheid van zijn ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten verwaarloost.

3.1.6.

Ingevolge artikel 46d, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrra wordt de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd door de president van de rechtbank.

3.2.

De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat appellant geen belanghebbende is bij de door hem gewenste, aan mr. S. op te leggen disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing. Het belang van appellant is immers niet rechtstreeks betrokken bij een beslissing die de rechtspositie van mr. S. betreft (vergelijk de uitspraak van 23 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3447). Hieruit volgt dat het verzoek van appellant geen aanvraag is en daarmee niet is gericht op het verkrijgen van een besluit, zodat, gelet op artikel 8:1 van de Awb, tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek geen beroep kan worden ingesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4202).

3.3.

Nu appellant geen beroep kan instellen, kan hij evenmin een beroep doen op de in afdeling 4.1.3 van de Awb neergelegde dwangsomregeling (vergelijk de onder 3.2 genoemde uitspraak van 19 november 2014).

3.4.

Uit wat onder 3.1.1 tot en met 3.3 is overwogen volgt dat de Raad kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P.W.J. Hospel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

HD