Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
15/4984 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eerstejaars ZW-beoordeling: Appellant heeft geen recht meer op een uitkering op grond van de ZW, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Zorgvuldig onderzoek. Juistheid FML. Geschiktheid functies. Uit het enkele feit dat uit het in hoger beroep overgelegde besluit van 25 april 2017 blijkt dat appellant in het voorjaar van 2016 wederom in de Ziektewet geaccepteerd is, kan niet worden afgeleid dat appellant op de datum die hier in geding is ongeschikt was voor het verrichten van arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4984 ZW

Datum uitspraak: 5 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2015, 15/814 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijgevoegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Bij brief van 19 mei 2017 heeft appellant een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was fulltime werkzaam als beveiliger bij [naam bedrijf] via [naam B.V.], toen hij zich op 12 juni 2013 voor dit werk heeft ziek gemeld met neurologische klachten. Zijn dienstverband is op 12 juni 2013 beëindigd. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft het Uwv appellant vanaf 22 juli 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 juli 2014 vastgesteld dat appellant vanaf 22 augustus 2014 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW, omdat appellant op 11 juni 2014 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 juli 2014. Naar aanleiding van dat bezwaar is appellant onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft de eerder opgemaakte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. Naar aanleiding van de gewijzigde FML van 18 november 2014 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep één functie niet langer passend geacht en laten vervallen. Op basis van een nieuwe schatting heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat appellant onveranderd meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 december 2014 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – kort samengevat – overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er, gelet op de beschikbare medische gegevens, geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. In de FML van 18 november 2014 (geldend vanaf 22 augustus 2014) zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Voorts zijn beperkingen aangenomen voor dynamisch handelen, statische houdingen en werktijden. In beroep zijn naar het oordeel van de rechtbank geen medische gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellant meer beperkt dient te worden geacht dan door is het Uwv aangenomen. Mede onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 maart 2015 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien appellant te volgen in zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft en dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld. Met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen moet appellant naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht de functies te vervullen die op grond van het arbeidskundig onderzoek in bezwaar voor hem als geschikt zijn geselecteerd. Tot slot heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan het aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 april 2015 waarin is geconcludeerd dat appellant, uitgaande van een gewijzigde maatmanomvang, met het vervullen van de geduide functies meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

3.1.

Appellant kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen en heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende is ingegaan op de diagnose AVM (Arterio Veneuze Malformatie) en de daaruit voortvloeiende en door de behandelend neuroloog Klijn onderschreven beperkingen. Ten onrechte zijn geen beperkingen aangenomen voor vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht, herinneren en hoge werkdruk.

3.2.

Het Uwv heeft in het verweerschrift verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 oktober 2015, waarin deze arts heeft gereageerd op de in hoger beroep aangevoerde gronden. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 januari 2013 is de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet Bezava) in werking getreden (Stb. 2012, 464). Nu appellant een verzekerde zonder werkgever is en hij zich op 12 februari 2013 ziek heeft gemeld, heeft het Uwv terecht toepassing gegeven aan de door de Wet Bezava aan de ZW toegevoegde artikelen 19aa en 19ab. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde belastbaarheid van appellant. De rechtbank heeft overtuigend gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:3233) behoort het tot de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) om uit de beschikbare medische informatie objectiveerbare beperkingen vast te stellen voor het verrichten van arbeid.

4.3.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende oog heeft gehad voor de door neuroloog Klijn gestelde diagnose AVM en de daaruit voortkomende klachten en beperkingen. Uit zowel het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 november 2014 als het rapport van 24 maart 2015 blijkt dat het rapport van neuroloog Klijn van 9 januari 2014, met daarin (onder meer) opgenomen de diagnose “AVM (SMG II), nooit gebloed, waarvoor expectatief beleid”, is meegewogen in de beoordeling. Bij de heroverweging in bezwaar is dit rapport, samen met een rapport van neuroloog Klijn van 17 september 2014, aanleiding geweest voor het aanscherpen van de eerder vastgestelde FML. Appellant is op diverse aspecten van het persoonlijk en sociaal functioneren beperkt geacht, daarnaast zijn beperkingen aangenomen voor dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.

4.4.

Ter zitting is namens het Uwv toegelicht dat, hoewel het aspect werkdruk niet als zodanig genoemd wordt in de FML, een beperking voor werkdruk wel tot uiting komt doordat beperkingen zijn aangenomen voor de aspecten 1.9.7, 1.9.8, 1.9.10 en 2.12.5. Voorts is toegelicht dat de motivering van aspect 1.9.9 teruggevonden kan worden onder aspect 1.9.10 nu deze aspecten een combinatie vormen. Gelet op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 november 2014 en 7 oktober 2015, de toelichting ter zitting namens het Uwv en het feit dat namens appellant geen nieuwe medische gegevens zijn overgelegd, wordt geen aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant op 22 augustus 2014.

4.5.

Uit het enkele feit dat uit het in hoger beroep overgelegde besluit van 25 april 2017 blijkt dat appellant in het voorjaar van 2016 wederom in de Ziektewet geaccepteerd is, kan niet worden afgeleid dat appellant op de datum die hier in geding is ongeschikt was voor het verrichten van arbeid.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de beperkingen, neergelegd in de FML van 18 november 2014, wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en magazijn/expeditiemedewerker

(SBC-code 111220) in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Appellant heeft in hoger beroep geen gegevens ingebracht die aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen.

5. Nu appellant met de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen, heeft de rechtbank, gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.5, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) R.H. Budde

UM