Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2472

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
14/6013 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is niet toereikend hersteld. Nog steeds is niet duidelijk waarom de informatie van appellante over het zwemmen en autorijden in het medisch advies van 1 augustus 2012 niet leidt tot de conclusie dat appellante zelfstandig in haar persoonlijk verzorging kan voorzien en in het advies van 29 mei 2013 wel. Verder is nog steeds niet duidelijk hoe Dammar in de afweging heeft betrokken de mededeling van de ergotherapeut dat voor appellante autorijden niet mogelijk is omdat zij er duizelig en misselijk van wordt. Dammar heeft, onder verwijzing naar passages uit de eerdere medische adviezen, meegedeeld dat rekening is gehouden met de klachten en beperkingen in het bewegingsapparaat, maar hieruit blijkt nog steeds niet in hoeverre de informatie van appellante, dat zij door pijnklachten haar armen niet omhoog kan brengen, is betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6013 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 september 2014, 12/4661 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

Datum uitspraak: 21 juni 2017

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 13 oktober 2016 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2016:3887).

CIZ heeft in een brief van 24 november 2016 de Raad bericht over de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven.

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, een reactie ingezonden.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.

1.1.

In deze tussenuitspraak heeft de Raad onder meer het volgende overwogen, kort weergegeven. In het in geding zijnde bestreden besluit 2 (besluit van 12 augustus 2013) heeft CIZ de indicatie voor Persoonlijke Verzorging (PV) voor de periode van 30 maart 2012 tot en met 2 augustus 2012 verleend naar klasse 3 en van 3 augustus 2012 tot en met 22 september 2013 naar klasse 2. Dat besluit berust op een advies van 29 mei 2013 van medisch adviseur
I. Dammar. CIZ heeft de indicatie voor PV per 23 september 2013 beëindigd omdat appellante in staat wordt geacht zich gedoseerd, gefaseerd en in eigen tempo zelfstandig te verzorgen, omdat dit geen zware activiteit is. Dammar gaat in het advies van 29 mei 2013 ervan uit dat appellante evidente aandoeningen ervaart aan het bewegingsapparaat. De hieruit voortvloeiende beperkingen leiden volgens Dammar echter niet tot lichte besprekingen, omdat appellante in staat is auto te rijden en twee baantjes te zwemmen. De informatie over het zwemmen en autorijden was Dammar ook al bekend tijdens een eerder medisch advies van
1 augustus 2012. In dat advies heeft Dammar niet geconcludeerd dat appellante zelfstandig in haar persoonlijke verzorging kan voorzien. Zonder een nadere toelichting en zonder een eventueel te verrichten nader onderzoek is niet begrijpelijk waarom Dammar in het advies van 29 mei 2013 tot een andersluidende conclusie komt. Verder is niet inzichtelijk in hoeverre in het medisch advies van 29 mei 2013 rekening is gehouden met het feit dat appellante tijdens een onderzoek op 24 mei 2012 heeft gezegd dat zij door pijnklachten bij haar nek en schouders haar armen niet omhoog kan brengen. Appellante heeft gezegd dat langer dan twee baantjes zwemmen te vermoeiend is voor haar en dat zij dan last krijgt van coördinatieproblemen. Over het autorijden heeft appellante vermeld dat het gaat om kleine stukjes. De ergotherapeut schrijft daarover in zijn brief van 8 mei 2012 dat autorijden niet mogelijk is, omdat appellante daar duizelig en misselijk van wordt. Niet blijkt dat Dammar deze informatie in het advies van 29 mei 2013 in de afweging heeft betrokken.

1.2.

Op basis van deze overwegingen heeft de Raad in de tussenuitspraak geoordeeld dat het aan bestreden besluit 2 ten grondslag liggende uitgangspunt dat appellante in staat is haar persoonlijke verzorging uit te voeren niet inzichtelijk is gemotiveerd. De Raad heeft CIZ opgedragen dit gebrek in bestreden besluit 2 te herstellen door een nadere toelichting te verstrekken en eventueel een nader onderzoek door de medisch adviseur van CIZ te laten verrichten.

2. In de brief van 24 november 2016 heeft CIZ verwezen naar een medisch advies van
24 november 2016 van Dammar. In reactie op de overweging van de Raad dat niet inzichtelijk is in hoeverre in het medisch advies van 29 mei 2013 rekening is gehouden met de mededeling van appellante dat zij door de pijnklachten bij haar nek en schouders haar armen niet omhoog kan brengen, heeft Dammar gerapporteerd dat de klachten en beperkingen in het bewegingsapparaat zijn geïncludeerd in de medische beoordeling in het advies van 29 mei 2013. Verder vermeldt Dammar dat de brief van de ergotherapeut van 8 mei 2012 is meegewogen en dat er bij persoonlijke verzorging minder energie en concentratie nodig is dan bij zwemmen van twee baantjes en korte stukjes rijden. Volgens Dammar heeft een medische objectivering van appellantes klachten plaatsgevonden door middel van het bestuderen van de medische correspondentie van de medisch specialist en de paramedici en de inventarisatie bij het onderzoek in bezwaar.

3. In reactie hierop heeft appellante aangevoerd dat het weinig zinvol is inhoudelijk op de brief van 24 november 2016 van CIZ in te gaan, omdat CIZ de vragen van de Raad niet heeft beantwoord.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

CIZ heeft het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet toereikend hersteld. Nog steeds is niet duidelijk waarom de informatie van appellante over het zwemmen en autorijden in het medisch advies van 1 augustus 2012 niet leidt tot de conclusie dat appellante zelfstandig in haar persoonlijk verzorging kan voorzien en in het advies van 29 mei 2013 wel. Verder is nog steeds niet duidelijk hoe Dammar in de afweging heeft betrokken de mededeling van de ergotherapeut dat voor appellante autorijden niet mogelijk is omdat zij er duizelig en misselijk van wordt. Dammar heeft, onder verwijzing naar passages uit de eerdere medische adviezen, meegedeeld dat rekening is gehouden met de klachten en beperkingen in het bewegingsapparaat, maar hieruit blijkt nog steeds niet in hoeverre de informatie van appellante, dat zij door pijnklachten haar armen niet omhoog kan brengen, is betrokken.

4.2.

Uit de tussenuitspraak en uit wat is overwogen in 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevallen wordt vernietigd. Het beroep van appellante tegen bestreden besluit is gegrond en dat besluit wordt vernietigd.

4.3.

De Raad ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand te laten. CIZ heeft namelijk in een besluit van 23 april 2013 aan appellante een indicatie verleend voor PV, klasse 2, voor de periode van 23 april 2013 tot en met 29 maart 2014. Daarmee heeft CIZ PV geïndiceerd na de in bestreden besluit 2 neergelegde beëindigingsdatum van 23 september 2013. Er zijn geen aanknopingspunten om de hoogte van de in het besluit van 23 april 2013 toegekende klasse voor PV voor onjuist te houden. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat haar een hogere klasse toekomt voor hulp die zij in haar persoonlijke verzorging nodig heeft in verband met saunabezoek en hydrotherapie. Volgens de CIZ Indicatiewijzer van 2013 is de omvang waarin de PV wordt geïndiceerd basaal en niet meer dan nodig om verantwoorde zorg te bieden in onder andere hygiënisch, medisch en gedragswetenschappelijk opzicht. Het feit dat de behandelend neuroloog appellante heeft ondersteund in haar wens om een verwijzing voor klimaattherapie te krijgen is onvoldoende om te concluderen dat zonder persoonlijke verzorging in verband met saunabezoek en hydrotherapie appellante geen (medisch) verantwoorde zorg wordt geboden.

5. Er is aanleiding om CIZ te veroordelen in de proceskosten. Deze worden voor rechtsbijstand begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand blijven;

  • -

    veroordeelt CIZ tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.980,-;

  • -

    bepaalt dat CIZ het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
    € 164,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M.F. Wagner en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.L. Rijnen

NW