Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
16/6177 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5245
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van seksuele hulpverlening door stichting. Hulpverlening is niet noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6177 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 augustus 2016, 16/3385 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 18 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 juni 2017, waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft aandoeningen aan het zenuwstelsel waardoor sprake is van onwillekeurige bewegingen en problemen met het aansturen van het bewegingsapparaat. Hij heeft op 28 september 2015 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Deze aanvraag betreft, voor zover hier van belang, de kosten van seksuele hulpverlening door de Stichting Alternatieve Relatiebemiddeling (SAR). Deze stichting heeft als doel aan personen met een handicap seksuele hulp te bieden als alternatief voor seksualiteit binnen een relatie.

1.2.

Het college heeft, om de aanvraag van appellant te kunnen beoordelen, medisch advies ingewonnen bij SCIO Consult. De medisch adviseur van SCIO Consult heeft appellant op 23 november 2015 op het spreekuur gezien, een lichamelijk onderzoek verricht en op diezelfde datum een rapport uitgebracht. Op de vraag van het college of er een gezondheidsprobleem is, heeft de medisch adviseur geantwoord dat appellant forse psychische druk ervaart en dat seksueel contact mogelijk een positief resultaat heeft. Ook zou er een positief effect kunnen zijn op de spasmen die appellant heeft. Op de vraag of de gekozen therapie en de therapeut passend zijn, heeft de medisch adviseur geantwoord dat appellant graag een relatie zou willen waarbij ook het seksueel contact aanwezig is. Om dit te realiseren is de gekozen therapie maar deels passend. Dit kan mogelijk ook op een andere manier gerealiseerd worden, bijvoorbeeld met een inschrijving bij een datingsite voor mensen met een lichamelijke beperking. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor de door appellant gewenste voorziening.

1.3.

Bij besluit van 25 november 2015 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor seksuele hulpverlening afgewezen, omdat uit het rapport van SCIO Consult volgt dat er geen noodzaak bestaat voor seksuele hulpverlening. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft het college nadere informatie ingewonnen bij SCIO consult. De medisch adviseur heeft in een nadere rapportage van 11 april 2016 aangegeven dat hij als arts in staat moet worden geacht om de psychische toestand van iemand te beoordelen en dat de toestand van appellant al jaren stabiel is.

1.4.

Bij besluit van 21 april 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de medische noodzaak ontbreekt om aan appellant bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van seksuele hulpverlening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat de medisch adviseur (ook) heeft vastgesteld dat sprake is van psychische druk en dat seksuele hulpverlening een positief effect zou kunnen hebben op de spasmen van appellant. Voorts heeft appellant moeten vaststellen dat er geen zorgverzekeraar is te vinden die deze kosten vergoedt, zodat bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden recht moet bestaan op bijzondere bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.

Niet in geding is dat de kosten zich voordoen. Gelet op wat partijen verdeeld houdt, ligt in dit geding de vraag voor of de kosten noodzakelijk waren.

4.3.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. De medisch adviseur heeft in zijn nadere rapportage van 11 april 2016 vastgesteld dat de toestand van appellant al jaren stabiel is. De enkele opmerking van de medisch adviseur in zijn eerste rapport dat de bedoelde hulp mogelijk een positief effect zou kunnen hebben op het psychisch functioneren en op de spasmen van appellant is - gelet op onder andere de aanvullende rapportage - onvoldoende om daaruit af te leiden dat de hulpverlening noodzakelijk is in de zin van de PW. Appellant heeft zijn stelling dat sprake is van een medische noodzaak niet onderbouwd.

4.4.

Omdat het college de aanvraag heeft afgewezen op de grond dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een noodzaak, dus met toepassing van artikel 35 van de PW, komt de Raad niet toe aan beantwoording van de vraag of sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van een vergoeding door een ziektekostenverzekeraar, welke vraag thuishoort onder artikel 15 van de PW.

4.5.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2017.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) L.V. van Donk

HD