Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
15/5630 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel wegens onvoldoende meewerken voorziening. Verwijtbaar. Recidive leidt niet tot verdubbeling van twee maanden maar van een maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5630 WWB

Datum uitspraak: 18 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

6 juli 2015, 14/4240 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Beekelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beekelaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J. Flapper en R. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op hem rustte de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

Bij besluit van 25 oktober 2013 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant verlaagd met 50% voor de duur van één maand met ingang van 1 november 2013. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant niet of in onvoldoende mate gebruik heeft gemaakt van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering, doordat hij niet tijdig is verschenen op een afspraak bij WorkFast op 18 oktober 2013. Bij besluit van 21 november 2013 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant verlaagd met 50% voor de duur van twee maanden met ingang van 1 december 2013. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid doordat hij een aanbod om met behoud van de bijstand bij Connexxion te werken, heeft geweigerd. Appellant heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 9 december 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en zijn klantmanager. In het gespreksverslag, neergelegd in het rapport van 11 december 2013, is opgenomen dat de klantmanager aan appellant heeft gevraagd of hij nu wel wil starten bij Connexxion. Appellant heeft toen te kennen gegeven dat bij geen bussen wil schoonmaken. Op 4 maart 2014 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en zijn klantmanager. In het gespreksverslag, neergelegd in een rapport van 19 maart 2014, is opgenomen dat de klantmanager tijdens het gesprek aan appellant opnieuw het aanbod heeft gedaan om met behoud van bijstand bij Connexxion te werken. Appellant heeft daarop te kennen gegeven dat hij niet van plan is om bussen schoon te maken, hij wil best wat doen voor zijn uitkering maar niet dat. De klantmanager heeft appellant vervolgens gewezen op de gevolgen van het weigeren van dit aanbod voor de bijstand.

1.4.

Bij besluit van 19 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant verlaagd met 50% voor de duur van vier maanden met ingang van 1 maart 2014. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op arbeidsinschakeling. Appellant heeft een baanaanbod om met behoud van bijstand bij Connexxion te werken opnieuw geweigerd. Dit is appellant aan te rekenen. Voorts is sprake van recidive, omdat appellant zich binnen twee jaar na de bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een maatregelwaardige gedraging.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant een aanbod om met behoud van de bijstand bij Connexxion te werken heeft geweigerd.

4.2.

De gedraging van appellant moet worden gekwalificeerd als een weigering om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling en vormt een overtreding van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de gedraging hem niet kan worden verweten, omdat het werk bij Connexxion, gelet op zijn persoonlijke en sociale omstandigheden en medische beperkingen, niet passend voor hem is. Volgens appellant was het college reeds op de hoogte van zijn schulden. Hij loopt het risico om personen die hij geld schuldig is tegen te komen bij het verrichten van het aangeboden werk bij Connexxion. Daarnaast heeft appellant verwezen naar het rapport van A-REA van 14 november 2014, waaruit blijkt dat ten aanzien van appellant een aantal (medische) beperkingen is vastgesteld om arbeid te kunnen verrichten.

4.4.

De bewijslast van feiten en omstandigheden voor het oordeel dat appellant geen enkel verwijt treft, rust op appellant. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van de laatste volzin van artikel 18, tweede lid, van de WWB.

4.5.

Appellant is in deze bewijslast niet geslaagd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn persoonlijke en sociale omstandigheden of medische beperkingen niet in staat was om het werk bij Connexxion te verrichten. Uit het rapport van A-REA van 14 november 2014 blijkt niet dat de vastgestelde beperkingen ook bestonden in maart 2014, ten tijde van het weigeren van de aangeboden voorziening. Appellant heeft de gestelde omstandigheden en beperkingen ook niet tijdens de gesprekken over het werk bij Connexxion naar voren gebracht. Dat het college op de hoogte was van de hoge schulden van appellant, betekent nog niet dat het college daarin aanleiding had moeten zien om nader onderzoek te verrichten naar de passendheid van de aangeboden voorziening.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was daarom ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellant te verlagen overeenkomstig de Maatregelen- en Handhavingsverordening WWB, IOAW, IOAZ 2013 van de gemeente Almere (Verordening).

4.7.

De overtreding van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB valt onder de gedragingen van de tweede categorie als genoemd in artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder b, van dit artikel leidt een gedraging van de tweede categorie tot een verlaging van 50% van de bijstand gedurende één maand. Ingevolge het zevende lid van dit artikel wordt de duur van de maatregel verdubbeld als de belanghebbende zich binnen twee jaar na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een maatregelwaardige gedraging.

4.8.

Appellant heeft aangevoerd dat het college niet kon overgaan tot het opleggen van een maatregel voor de duur van vier maanden vanwege recidive. Op grond van artikel 10,

zevende lid, van de Verordening kon aan appellant slechts een maatregel worden opgelegd voor de duur van maximaal twee maanden.

4.9.

Vaststaat dat het college bij het onder 1.2 vermelde besluit van 21 november 2013 een maatregel heeft opgelegd en dat appellant zich binnen twee jaar opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een maatregelwaardige gedraging. Dit betekent dat sprake is van recidive zoals bepaald in artikel 10, zevende lid, van de Verordening. Dit leidt tot een verdubbeling van de duur van de hier aan de orde zijnde maatregel. Anders dan het college heeft gesteld en de rechtbank heeft geoordeeld, bestaat, gelet op de bewoordingen van artikel 10, zevende lid, van de Verordening, geen ruimte om een op basis van deze bepaling reeds verdubbelde periode van verlaging van bijstand nogmaals te verdubbelen. Het college heeft hierin dan ook geen grondslag kunnen vinden voor het opleggen van een maatregel van 50% voor de duur van vier maanden.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 10 van de Verordening vernietigen.

4.11.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en

onder c, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van

19 maart 2014 te herroepen voor wat betreft de duur van de verlaging en te bepalen dat de bijstand van appellant met 50% wordt verlaagd voor de duur van twee maanden met ingang van 1 maart 2014. De omstandigheden en mogelijkheden van appellant geven geen aanleiding om de maatregel in omvang dan wel duur te matigen.

4.12.

Gelet op 4.11 behoeft de grond van appellant dat het college een procedurele fout heeft gemaakt doordat geen herbeoordeling van de opgelegde maatregel heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 18, derde lid, van de WWB, geen bespreking meer.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990, - in bezwaar, op € 990, - in beroep en op € 990, - in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.970, -.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 juni 2014 voor zover het betreft de duur van de verlaging van de

bijstand;

- herroept het besluit van 19 maart 2014 in zoverre, bepaalt dat de bijstand van appellant met

ingang van 1 maart 2014 met 50% wordt verlaagd voor de duur van twee maanden en dat

deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 23 juni 2014;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD