Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
15/3867 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met verzwegen gezamenlijke huishouding. Onvoldoende feitelijke grondslag. Verklaringen buurtbewoners onvoldoende concreet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3867 WWB, 15/3869 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

23 april 2015, 14/1208, 14/3451 en 14/1236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 18 juli 2017

PROCESVERLOOP

Krachtens een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur met ingang van

1 januari 2015 de bevoegdheden op grond van de Wet werk en bijstand uit die voorheen werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland met uitzondering van de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag. Onder dagelijks bestuur wordt hierna, voor zover van toepassing, tevens het college begrepen.

Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Als opvolgend gemachtigde heeft zich gesteld mr. M.S. Rozenbeek, advocaat.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rozenbeek. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Mentink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 januari 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder op het adres [adres 1] te [X.] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 6 september 2013 dat appellante samenwoont met de vader van haar kinderen, heeft de Sociale Recherche Noord-Holland Noord (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer administratief onderzoek en internetonderzoek verricht, getuigen gehoord, op 7 november 2013 een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd en tijdens dat huisbezoek appellante gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 december 2013.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 3 februari 2014 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juni 2014 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 1 januari 2011. Aan bestreden besluit 1 heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat vanaf

1 januari 2011 sprake was van een gezamenlijke huishouding van appellante en

[D.] (D). Appellante heeft, door hiervan geen melding te maken aan het dagelijks bestuur, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het dagelijks bestuur heeft daarbij grote betekenis toegekend aan de verklaringen van het echtpaar [A.] (A) en

[LD] (LD), bewoners van nummer [nummer 1] respectievelijk nummer [nummer 2] van de [adres 1], aan de verklaring van [S.] (S), de bewoner van het adres [adres 2] te [Y.], het adres waarop D enige tijd ingeschreven heeft gestaan en aan de door de werkgever van D verstrekte informatie over D.

1.4.

Bij besluit van 27 februari 2014 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

16 juli 2014 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 september 2013 tot een bedrag van in totaal € 60.623,55 van appellante teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij - zoals ter zitting is besproken - de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond heeft verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2011 tot en met 3 februari 2014.

4.2.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellante en D hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Deze beroepsgrond slaagt.

4.5.1.

A en LD hebben weliswaar verklaard dat appellante, D en de kinderen op het uitkeringsadres wonen en dat zij daar “als gezin” zijn komen wonen, maar uit hun verklaringen wordt niet duidelijk of dit berust op concrete, feitelijke waarnemingen of slechts de indruk van deze buurtbewoners is geweest. De verklaringen bevatten geen feitelijke gegevens over het dagelijks leven in en om deze woning. In zoverre zijn de verklaringen onvoldoende specifiek en gedetailleerd. Dit klemt, omdat uit de verklaring die appellante op

7 november 2013 heeft afgelegd blijkt dat D veel in de woning op het uitkeringsadres aanwezig is.

4.5.2.

Op basis van de verklaring van S dat D nooit op het adres [adres 2] te [Y.] heeft gewoond, maar daar uitsluitend af en toe een nachtje sliep, kan niet de conclusie worden getrokken dat D in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dat S heeft verklaard dat D tegen hem had gezegd dat hij bij zijn vriendin verbleef in [Z.] of in die buurt, is evenmin voldoende om die conclusie te kunnen trekken. Hieraan doet niet af dat onduidelijk was waar D dan wel verbleef. Het is immers aan het college om aannemelijk te maken dat D zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.5.3.

Uit de door de werkgever verstrekte informatie over D blijkt niet meer dan dat D het uitkeringsadres gebruikte als postadres. Deze informatie zegt echter niets over het feitelijk hoofdverblijf van D.

4.5.4.

De rechtbank heeft ook nog betekenis toegekend aan de bevindingen van het huisbezoek aan het uitkeringsadres op 7 november 2013 en aan de bevindingen uit het onderzoek naar het twitteraccount van appellante. Ook die bevindingen bieden geen toereikende grondslag voor de conclusie dat D in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek heeft de sociale recherche, afgezien van enkele bankafschriften, een creditcard op naam van D, een enkel bedrijfskledingstuk van D en post van de werkgever van D, geen persoonlijke spullen van D aangetroffen. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat D al jaren op het uitkeringsadres verblijft, zoals het college heeft gesteld. Het onderzoek naar het twitteraccount van appellante heeft slechts uitgewezen dat volgens enkele van de vele tweets D die nacht bleef slapen.

4.6.

De onderzoeksbevindingen bieden, noch op zichzelf noch in samenhang bezien, een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante en D gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres.

4.7.

Uit 4.5 tot en met 4.6 volgt dat dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Hieruit vloeit voort dat geen toereikende basis bestaat voor intrekking en terugvordering van de bijstand van appellante. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom vernietigen voor zover aangevochten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien aan besluiten 1 en 2 hetzelfde gebrek kleeft en het, gelet op het tijdverloop, niet aannemelijk is dat het dagelijks bestuur dit gebrek nog zal kunnen herstellen, zal de Raad tevens zelf in de zaak voorzien door deze besluiten te herroepen.

5. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 1.485,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 3.465,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de besluiten van 6 juni 2014 en 16 juli 2014;

- herroept de besluiten van 3 februari 2014 en 27 februari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak

in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.465,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) W.A.M. Ebbinge

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD