Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
15/4338 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een volledige WAO-uitkering. Terugvordering. Inkomsten uit de hennepkwekerij. Schending inlichtingenplicht. Geen dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4338 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 mei 2015, 14/2698 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2017. Namens appellant is verschenen mr. Verstraten. Het Uwv heeft zicht laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft vanaf 15 december 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 2 december 2013 is op het woonadres van appellant, [adres] , een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met minimaal 121 hennepplanten. De politie heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld en een proces-verbaal opgesteld, waarvan onderdeel uitmaakt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 20 januari 2014. Op basis van dit proces-verbaal van politie is door een rapporteur van het Uwv het Rapport werknemersfraude van 31 maart 2014 opgesteld, dat ten grondslag is gelegd aan het oordeel van het Uwv dat appellant in de periode van 9 september 2013 tot en met 1 december 2013 inkomsten heeft genoten uit een hennepkwekerij, die hij niet heeft gemeld bij het Uwv.

1.2.

Bij besluit van 24 april 2014 heeft het Uwv de uitbetaling van de WAO-uitkering van appellant in de periode van 19 augustus 2013 tot 2 december 2013 gewijzigd op de grond dat appellant inkomsten heeft genoten uit hennepteelt op grond waarvan appellant geen recht heeft op een volledige WAO-uitkering. Bij besluit van eveneens 24 april 2014 heeft het Uwv over de periode van 19 augustus 2013 tot en met 2 december 2013 een bedrag van
€ 5.598,46 bruto van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 21 augustus 2014 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gericht tegen beide besluiten van 24 april 2014 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft met een gewijzigd besluit op bezwaar van 20 februari 2015 (bestreden besluit II) het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard, in die zin dat de periode is teruggebracht naar
9 september 2013 tot en met 1 december 2013 en het bedrag van de terugvordering is teruggebracht naar € 4.034,86 bruto.

2.1

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant.

2.2.

De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv heeft mogen uitgaan van de feiten zoals verkregen uit het strafrechtelijk onderzoek en dat deze bevindingen leiden tot het vermoeden dat er één eerdere oogst heeft plaatsgevonden. De rechtbank komt tot de conclusie dat de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden ieder voor zich noch in samenhang beschouwd voldoende zijn om het vermoeden dat sprake is geweest van een eerdere oogst te ontkrachten. De rechtbank heeft overwogen dat appellant zijn verklaring dat de spullen die hij heeft gebruikt voor de hennepkweek tweedehands heeft aangeschaft op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Gelet op de eigen beoordelingskaders van het Openbaar Ministerie en de burgemeester van de gemeente Venlo heeft het afzien van vervolging en van het opleggen van een maatregel de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. De niet nader toegelichte verklaring van appellant dat hij in de periode in geding in het ziekenhuis opgenomen is geweest is door de rechtbank, onvoldoende geacht omdat appellant niet heeft onderbouwd dat de hennepplanten gedurende deze (relatief korte) periodes niet zonder verzorging gekund hebben. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat buiten de enkele verklaring van de huisarts dat thuiszorg is verleend, er niets is geconcretiseerd en dat appellant de kennelijk bij hem levende veronderstelling dat thuiszorgmedewerkers die hem zouden hebben bezocht een eventuele hennepkwekerij gemeld zouden hebben aan de thuiszorgorganisatie evenmin nader heeft onderbouwd. De door appellant overgelegde verklaring van een buurman die in de periode na het ontslag uit het ziekenhuis bij appellant in huis niets zou hebben opgemerkt, gezien of geroken dat op een hennepplantage duidde, is niet afkomstig uit een objectieve bron en heeft de rechtbank eveneens onvoldoende overtuigend geacht om het vermoeden dat sprake is geweest van een eerdere oogst te ontkrachten.

2.3.

De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv op grond van het Rapport werknemersfraude (met bijlagen) er dan ook vanuit had mogen gaan dat appellant uit betrokkenheid bij hennepteelt, inkomsten heeft gehad en acht het door het Uwv geschatte bedrag van € 9.926,00 en de daaraan ten grondslag liggende berekening voldoende aannemelijk. De rechtbank is uitgegaan van de verklaring van appellant dat hij de hennepkwekerij en de bijbehorende stroomvoorziening met gedeeltelijk hulp van een derde persoon heeft aangelegd. Nu appellant niet kan of wil verklaren over deze derden en er geen andere personen zijn aan te merken als verdachte heeft het Uwv terecht aan appellant het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel toegerekend. Voorts heeft de rechtbank geen dringende reden aanwezig geacht op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

3. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring voor het beroep tegen het bestreden besluit II. Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat er geen sprake is geweest van verzwegen inkomsten uit de exploitatie van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij en dat het Uwv dit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Appellant heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen hennepkwekerij pas twee weken voor de ontdekking in werking is getreden en dat er geen sprake is geweest van een eerdere oogst. Appellant heeft een valide verklaring verstrekt voor de aangetroffen aanwijzingen op de diverse onderdelen van de kwekerij en heeft voorts diverse, onafhankelijke verklaringen van derden overgelegd waaruit redelijkerwijs niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het door het Uwv gestelde tijdvak onjuist is. Appellant is in de desbetreffende periode opgenomen geweest. Ten tijde van de opname heeft appellant niet voor de verzorging van de planten kunnen zorgdragen. Appellant heeft erop gewezen dat de gemeente Venlo heeft afgezien van het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel en dat het OM heeft besloten om appellant niet strafrechtelijk te vervolgen en dat het verzoek tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is afgewezen. Ook is de door het Uwv opgelegde boete voor het schenden van de inlichtingenplicht bij uitspraak van de rechtbank Limburg 21 juli 2015 gematigd tot een bedrag van € 150,- op de grond dat de rechtbank een eerdere oogst niet aannemelijk heeft geacht. Voorts houdt appellant staande dat het Uwv op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afgezien en verwijst hij naar zijn medische klachten en fysieke beperkingen, waardoor hij geen arbeidsperspectief heeft. Appellant is van mening dat hij door alle ellende als gevolg van de ontdekking van de hennepkwekerij al voldoende is gestraft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het bestreden besluit berust in kern op de bevindingen van de regiopolitie Limburg Noord, District Venlo, Basiseenheid Blerick, neergelegd in het Rapport werknemersfraude van 31 maart 2014, dat in de hennepkwekerij die in de woning van appellant is aangetroffen een eerdere oogst is geweest waaruit appellant inkomsten heeft gegenereerd. In dit rapport worden, onder verwijzing naar het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 20 januari 2014, als aanwijzingen voor een eerdere oogst genoemd: aangetroffen plantenresten op de grond en aan de zijkant van de grow-tent en in de plantenpotten; kalkafzetting op het zeil onder de plantenpotten en tegen de opstaande rand; stof op de koolstoffilters met minder verkleuring op de plaats waar de zelf gefabriceerde bevestiging was aangebracht; stof op armaturen van de assimilatielampen, op het rotorblad van de ventilator en op de kachel. Voorts werd in de woning een knipschaar met hennepgruis aangetroffen. Er is geen reden om deze indicatoren voor langdurig gebruik in twijfel te trekken. Het oordeel van de rechtbank dat deze voldoende aanwijzingen vormen dat er een eerdere oogst is geweest kan worden gevolgd. De rechtbank heeft voorts terecht geconcludeerd dat de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden ieder voor zich noch in samenhang beschouwd voldoende zijn om het vermoeden dat sprake is geweest van een eerdere oogst te ontkrachten. De Raad onderschrijft de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank, zoals hierboven aangehaald onder overweging 2.2 en maakt die tot de zijne.

4.2.

Appellant heeft ten overstaande van de politie verklaard en na voorlezen ondertekend, dat hij zelf de hennepplantage heeft opgericht en dat hij zelf voor de verzorging van de planten heeft zorggedragen. Aan het feit dat appellant nadien deze verklaring heeft ingetrokken en andersluidend heeft verklaard wordt voorbijgegaan, nu deze andersluidende verklaring niet met concrete verifieerbare en relevante gegevens is onderbouwd.

4.3.

Voor zover appellant subsidiair heeft betoogd dat hij geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten, ziet hij eraan voorbij dat hij door geen melding bij het Uwv te maken van de hennepkwekerij − waaruit naar algemeen bekend is inkomsten kunnen worden genoten − hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2083, is het Uwv, wanneer de verzekerde verzuimt concrete, verifieerbare gegevens over zijn inkomsten te verstrekken, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Wel zal aan die schatting voldoende onderzoek moeten voorafgaan. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over het inkomen van appellant vallen geheel binnen diens risicosfeer. In dit licht is de Raad van oordeel dat, nu er voldoende aanwijzingen zijn voor een eerdere oogst, het Uwv de daaruit genoten inkomsten heeft mogen schatten en daarbij heeft mogen afgaan op de berekeningen die zijn weergegeven in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 20 januari 2014. De omstandigheid dat de politierechter van de rechtbank Limburg de ontnemingsvordering, die is gebaseerd op de veroordeling van appellant voor het telen van hennep, heeft afgewezen, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, de politierechter is bij dit oordeel de uitspraak van 14 januari 2015 met parketnummer 03/117486-14 uitgegaan van de foutieve veronderstelling dat de hennepkwekerij in de woonkamer was aangebracht en dat dit zou moeten zijn opgemerkt door een thuiszorgmedewerker. Afgezien van de vraag of het tot de taakuitoefening van een thuiszorgmedewerker behoort om van een dergelijke waarneming melding te maken bij de politie, bevond de hennepkwekerij zich niet in de woonkamer, maar in een (tweede) slaapkamer aan het einde van de gang van de woning van appellant. Dit blijkt uit de gedingstukken en is namens appellant ter zitting bevestigd.

4.4.

De rechtbank heeft voorts terecht de door appellant aangevoerde financiële en medische omstandigheden niet aangemerkt als dringende redenen op grond waarvan het Uwv niet tot terugvordering had mogen overgaan. Uit wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is de Raad niet gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare consequenties voor appellant zal leiden. Daarbij komt dat de toepasselijke regeling met betrekking tot de beslagvrije voet voldoende bescherming biedt bij invordering, nu de financiële omstandigheden worden meegewogen bij de vaststelling van de (maandelijkse) aflossingscapaciteit van appellant.

4.5.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.4. leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP