Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
15/3904 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet wonen op uitkeringsadressen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3904 WWB

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

22 april 2015, 14/2865 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M.C. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Venderbos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 2 maart 2012 bijstand van het college ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), vanaf de geboorte van haar zoon op 4 april 2012 naar de norm voor een alleenstaande ouder, met een toeslag van 10% van het netto minimumloon.

1.2.

Appellante stond sinds 1 oktober 2012 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans: basisregistratie personen), ingeschreven op het adres [adres 1] en sinds 11 oktober 2013 op het adres [adres 2] .

1.3.

Naar aanleiding van een melding van 8 april 2013 dat appellante woonachtig is in [woonplaats] bij de vader van haar zoon hebben sociaal rechercheurs bij de gemeente Venlo (sociaal rechercheurs) een onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfplaats van appellante. De sociaal rechercheurs hebben onderzoek in het digitale uitkeringsdossier verricht, afschriften van de bankrekeningen van appellante bestudeerd, informatie opgevraagd bij de verhuurder van de woning op het adres [adres 1] , bewoners op de adressen [adres 1] en [adres 2] als getuigen gehoord en tussen 17 januari 2014 en 13 februari 2014 alsmede tussen 20 maart 2014 en 31 maart 2014 waarnemingen verricht bij het adres [adres 2] . Verder hebben zij op 12 maart 2014 appellante gehoord en een huisbezoek afgelegd op het adres [adres 2] . Een sociaal rechercheur heeft de resultaten van het onderzoek neergelegd in een rapportage bijzonder onderzoek van 9 april 2014.

1.4.

De bevindingen uit het onderzoek vormden voor het college aanleiding om bij besluit van 28 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 augustus 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 7 oktober 2012 in te trekken en de kosten van de over de periode van 7 oktober 2012 tot en met 28 februari 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 22.220,50 van haar terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting als bedoeld in

artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden door niet aan het college door te geven dat zij haar hoofdverblijf niet had op de adressen [adres 1] en [adres 2] . Daardoor kan haar woon- en leefsituatie niet worden vastgesteld, en kan ook het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat, vlak nadat zij in haar studio in de woning op het adres [adres 1] is gaan wonen, in de woning renovatiewerkzaamheden zijn begonnen en zij daarom tijdelijk bij haar moeder in [gemeente 1] heeft verbleven. Zij heeft haar bijstandsconsulente hiervan op de hoogte gehouden. Na de renovatiewerkzaamheden was de studio op het adres [adres 1] niet meer voor haar toegankelijk, waarna zij enige tijd bij een vriendin in [woonplaats] heeft verbleven. Vervolgens heeft zij in oktober 2013 een studio op het adres [adres 2] gehuurd en is zij daar in november 2013 gaan wonen. Ook hiermee was het college bekend. Uit het

in 1.3 genoemde onderzoek volgt niet, dat zij vervolgens haar hoofdverblijf niet op het adres [adres 2] heeft gehad. De intrekking van de bijstand over de periodes dat appellante noodgedwongen buiten [gemeente 2] heeft verbleven is in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu het college hiermee zowel in de periode tijdens de renovatiewerkzaamheden als in de periode tussen juli 2013 en november 2013 bekend was en desondanks de bijstand heeft laten doorlopen. Tenslotte heeft appellante aangevoerd dat zij door de terugbetalingsverplichting in een financiële en sociale noodsituatie zal komen te verkeren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 7 oktober 2012 tot en met 28 april 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante tussen 7 oktober 2012 en 10 oktober 2013 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 1] . Vier bewoners van het adres hebben verklaard nooit een moeder met een baby in de woning te hebben gezien. Getuige [getuige 1] , die heeft verklaard al twintig jaar op het adres te wonen, heeft wel verklaard één keer een vrouw met baby en een vriend te hebben gezien, maar daarbij ook verklaard dat ze alleen kwamen om post op te halen. Voorts heeft het college op 30 september 2013 een aan appellante op het adres [adres 1] gericht poststuk retour ontvangen met de vermelding: “terug naar afzender. Heeft hier nooit gewoond”. Appellante heeft bovendien zelf gesteld dat vlak nadat zij de studio had gehuurd, in de woning renovatiewerkzaamheden begonnen. Zij is toen naar elders gegaan en zij kon niet meer in haar studio terecht, toen de renovatiewerkzaamheden waren afgerond.

4.4.1.

Het college heeft de stelling van appellante dat zij haar bijstandsconsulente er steeds van op de hoogte heeft gehouden dat zij, naar gesteld tijdelijk, niet op het adres [adres 1] verbleef, betwist. Nu appellante haar algemene stelling dat zij de bijstandsconsulente op de hoogte heeft gehouden van haar woonsituatie niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd, slaagt de stelling van appellante niet. Appellante heeft daarom de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden door niet te melden dat zij niet op het adres [adres 1] heeft verbleven in de periode dat zij daar stond ingeschreven. Het college heeft overigens wel erkend dat bekend was dat appellante zich op 22 juli 2013 bij het daklozenspreekuur van de gemeente heeft gemeld en vervolgens op zoek is gegaan naar andere woonruimte, die appellante op 4 oktober 2013 heeft gevonden aan het adres [adres 2] . Het college ging er toen van uit dat ze voorafgaande aan de melding op het daklozenspreekuur woonde op het adres [adres 1] en heeft vervolgens de uitkering uit coulance door laten lopen.

4.5.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de onderzoeksbevindingen, anders dan appellante betoogt, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 2] . Getuige [getuige 2] , die boven de door appellante gehuurde studio woont, heeft op 20 maart 2014 verklaard dat tot ergens in november of december 2013 een man en een vrouw in de studio hebben gewoond, dat het erg gehorig is en dat hij, wanneer iemand de studio zou binnenkomen, dat zeker zou kunnen horen. Hij heeft verklaard met 90% zekerheid te kunnen zeggen dat er nu niemand woont. De naam van appellante was hem voorts niet bekend. Getuige [getuige 3] , die tot februari 2014 op het adres [adres 2] heeft gewoond, heeft verklaard dat zij nooit een moeder met een kind van nog geen twee jaar oud in de woning heeft gezien, en dat zij dat zeker opgemerkt zou hebben, omdat zij gek is op kinderen. Zij herkende appellante niet van een door de sociaal rechercheurs aan haar getoonde foto. Voorts hebben sociaal rechercheurs bij de waarnemingen tussen 20 maart 2014 en 31 maart 2014 vastgesteld dat een door hen op de toegangsdeur van de studio van appellante aangebrachte markering op slechts één dag niet meer aanwezig was. Bij het huisbezoek op 12 maart 2013 bleek verder dat er geen water in de bedding van de wc stond en dat deze was uitgedroogd. Voorts blijkt uit de bankafschriften dat het overgrote deel van de pintransacties van appellante in [woonplaats] plaatsvonden en slechts enkele in [gemeente 2] .

4.5.1.

Door niet aan het college te melden dat zij na november 2013 niet op het adres [adres 2] heeft verbleven heeft appellante eveneens voor de periode vanaf deze datum de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden.

4.6.

Het betoog van appellante dat de intrekking van de bijstand over de periodes dat zij noodgedwongen buiten de gemeente [gemeente 2] heeft verbleven in strijd is met het vertrouwensbeginsel slaagt niet. In 4.4.1 is reeds vastgesteld dat het college er niet van op de hoogte was dat appellante in de periode tussen oktober 2012 en 22 juli 2013 niet op het adres [adres 1] heeft verbleven. De omstandigheid dat het college er tussen 22 juli 2013 en november 2013 wel van op de hoogte was dat appellante niet op het adres [adres 1] dan wel [adres 2] woonde en toen toch de bijstand door heeft laten lopen, leidt evenmin tot het oordeel dat intrekking van de bijstand in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Voor dit oordeel is reeds redengevend dat het door laten lopen van de bijstand in die periode geschiedde vanuit de achteraf onjuist gebleken veronderstelling dat appellante tot 22 juli 2013 wel op het adres [adres 1] had gewoond en vanaf november 2013 op het adres [adres 2] is gaan wonen.

4.7.

Nu appellante niet heeft gemeld dat zij niet heeft verbleven op de adressen [adres 1] dan wel [adres 2] heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en was het college, gelet op het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de WWB, gehouden de bijstand vanaf 7 oktober 2012 in te trekken.

De terugvordering

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het college gehouden was om op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB de kosten van de ten onrechte verstrekte bijstand van appellante terug te vorderen.

4.9.

Slechts in geval van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de WWB kan worden afgezien van terugvordering. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Van een incidenteel geval als hier bedoeld is geen sprake. Dat het hier gaat om de terugvordering van een aanzienlijk bedrag waarop appellante gedurende lange tijd zal moeten aflossen, vormt op zichzelf nog geen dringende reden als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat appellante als schuldenaar de bescherming in kan roepen van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en zij dus steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de voor haar toepasselijke bijstandsnorm.

4.10.

Uit 4.7 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

HD