Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
13/3439 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Juiste aangepaste FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De geschiktheid van de functies voor appellant is afdoende gemotiveerd. Appellant heeft recht op een loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 3 februari 2011 en hij met ingang van die datum 42,46% arbeidsongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3439 WIA, 16/7379 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 mei 2013, 11/3006 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C. Noordergraaf hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 26 september 2014. Namens appellant is mr. Noordergraaf verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. L.J.J.M. de Poel.

De Raad heeft het onderzoek heropend en aanleiding gezien tot inschakeling van prof. dr. H.J.C. van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie, als onafhankelijk deskundige (hierna: de deskundige).

De deskundige heeft op 10 juli 2015 rapport uitgebracht. Naar aanleiding van de reactie van appellant op dit rapport heeft de deskundige een herziene versie van zijn rapport ingediend, gedateerd 25 april 2016.

Het Uwv heeft nadere rapporten ingediend van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Deze rapporten hebben geleid tot de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 oktober 2016.

Appellant heeft zijn zienswijze op het (herziene) rapport van de deskundige ingediend evenals op het besluit van 13 oktober 2016.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 12 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Noordergraaf. Het Uwv was wederom vertegenwoordigd door mr. De Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 27 januari 2009 uitgevallen voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur wegens psychische en lichamelijke klachten. Hij heeft op 6 november 2010 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Bij besluit van 28 januari 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 3 februari 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2013 heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant wel heeft gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld van de medische situatie op 3 februari 2011 heeft gehad, maar dit niet met objectieve medische gegevens heeft onderbouwd. De rechtbank acht de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend onderbouwd en heeft geen aanleiding gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn standpunt. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de geschiktheid van de geselecteerde functies afdoende is gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant nadere stukken ingebracht die de Raad aanleiding hebben gegeven tot inschakeling van de deskundige.

3.2.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, gedateerd 13 oktober 2016. Bij dit besluit heeft het Uwv, op basis van de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 augustus 2015 en een aangepaste theoretische schatting, vastgesteld dat voor appellant met ingang van 3 februari 2011 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering tot en met 2 oktober 2013, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 42,46%.

3.3.

Appellant heeft hierop te kennen gegeven zich evenmin met dit nieuwe besluit te kunnen verenigen, omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Bij beslissing op bezwaar van 13 oktober 2016 heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van 8 juni 2011 (bestreden besluit 1) gewijzigd. Nu appellant te kennen heeft gegeven zich evenmin te kunnen verenigen met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 oktober 2016 wordt het besluit van 13 oktober 2016, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.3.

Aangezien het Uwv het bestreden besluit 1 heeft herzien bij het bestreden besluit 2, slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, evenals het bestreden besluit 1. Er is aanleiding voor veroordeling van het Uwv in de (proces)kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep, zoals in overweging 4.11 nader vastgesteld.

4.4.

Appellant heeft zich ziek gemeld wegens klachten van (mentale) vermoeidheid, concentratieproblemen en lichamelijke pijnklachten, vooral aan de nek en de rug. Uit informatie van de huisarts blijkt van de diagnoses fibromyalgie en cervicale artrose. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant geschikt geacht voor niet te zwaar lichamelijk belastende werkzaamheden, met name zonder al te zware nek- en rugbelasting, waarbij beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van zowel dynamische handelingen als statische houdingen. Er is een urenbeperking aangenomen tot gemiddeld ongeveer 8 uur per dag en gemiddeld ongeveer 40 uur per week waarbij avond- en nachtdiensten zijn uitgesloten, evenals onregelmatige diensten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, op basis van de informatie van de Gestalttherapeut uit 2010 en van PsyQ uit 2009, geconcludeerd dat de behandeling was gericht op de lichamelijke en vermoeidheidsklachten en dat niet is gebleken van psychopathologie. Van beperkingen ten aanzien van het sociaal functioneren was dan ook geen sprake, wel zijn beperkingen aangenomen in de zin van de noodzaak van een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige deadlines en zonder complexe taken die op meerdere gebieden uitgebreide aandacht vereisen.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep twijfel gezaaid over zijn psychische beperkingen, met de door hem ingediende informatie van Eleos van 22 maart 2012 en Yulius van 27 mei 2013. Uit deze informatie blijkt dat narcistische persoonlijkheidsproblematiek en/of PDD-NOS en een conversiestoornis zijn vastgesteld. De Raad heeft de deskundige benoemd om uitsluitsel te geven over de juistheid van de psychische beperkingen op de datum in geding.

4.6.

De deskundige heeft bij rapport van 25 april 2016 verslag gedaan van de onderzoeksbevindingen. Het onderzoek is uitgevoerd door prof. dr. H.J.C. van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie, in samenwerking met drs. A.M. Jansen, arts in opleiding tot psychiater. Mevrouw Jansen heeft appellant op 11 maart 2015 gezien en op 14 april 2015 heeft een tweede gesprek plaats gevonden met mevrouw Jansen en prof. Van Marle. Uit het rapport blijkt dat kennis is genomen van de (medische) gedingstukken en dat aanvullende informatie over verrichte diagnostiek en behandelingen is opgevraagd bij Bavo Europoort, doch dat ten tijde van het schrijven van het rapport deze informatie niet was ontvangen. Het psychiatrisch onderzoek is gebaseerd op de bij appellant afgenomen anamnese, biografie, sociale anamnese, dagindeling en beoordeling van de status mentalis. De onderzoeksbevindingen, in samenhang met het medisch dossier, hebben de onderzoekers aanleiding gegeven tot het vaststellen van stoornissen, die vanaf de jeugd bij appellant spelen en bij toenemende belasting vanuit zijn werk- en sociale omgeving zijn toegenomen. Het gaat hierbij om een dysthyme stoornis, ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een conversiestoornis. Voor een autismespectrumstoornis (ASS) hebben de onderzoekers geen aanwijzingen gezien. Wel stellen zij vast dat sprake is van een affectief verwaarloosde man met narcistische persoonlijkheidstrekken en alexithymie, zonder dat (vooralsnog) een persoonlijkheidsstoornis kan worden vastgesteld. De onderzoekers achten de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de FML van 17 mei 2011 vastgestelde functionele mogelijkheden niet geheel correct. Zij achten appellant op de datum in geding tevens beperkt ten aanzien van het hanteren van conflictsituaties, ten aanzien van sociaal functioneren in teamverband en ten aanzien van het hanteren van eigen emoties en het herkennen hiervan.

4.7.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Prof. Van Marle heeft het rapport herzien naar aanleiding van nadere op- en aanmerkingen van appellant en heeft bij schrijven van 25 april 2016 toegelicht dat alexithymie een karaktertrek is die inhoudt een onvermogen om eigen gevoelens adequaat te kunnen benoemen, maar dat deze karaktertrek geen (psychiatrische) stoornis is. Verder is nader onderbouwd met verwijzing naar de dossierstukken dat de vastgestelde diagnoses ook op de datum in geding aan de orde waren.

De motivering van de deskundige is overtuigend. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen.

4.8.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapporten van 19 augustus 2015 en 6 juli 2016 in het rapport van de deskundige aanleiding gezien voor bijstelling van de FML en beperkingen aangenomen ten aanzien van omgaan met conflicten (item 2.8.1) en samenwerken (item 2.9.1). Met de gevoeligheid voor krenking wegens de narcistische persoonlijkheidstrekken, onder meer gepaard gaande met beperkt kunnen hanteren en herkennen van de eigen emoties, is hiermee volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden, zeker nu het om karaktertrekken gaat en niet om een stoornis.

4.9.

Appellant heeft hierop aangevoerd dat de deskundige onvoldoende rekening heeft gehouden met de toxoplasmose-besmetting die in 2007 bij hem is vastgesteld en de diagnose fibromyalgie die de reumatoloog al in 2009 heeft gesteld. Verder heeft hij aangevoerd dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat, waarbij hij ter onderbouwing als bijlage rapporten heeft ingediend van Bavo Europoort van 4 mei 2015 en van Altrecht Psychomatiek Eikenboom van 28 oktober 2016 evenals een behandelplan van 9 februari 2017 van Bavo Europoort.

4.10.

De door appellant aangevoerde gronden treffen geen doel. Uit de dossierstukken blijkt niet dat appellant op de datum in geding beperkingen ondervond wegens de in 2007 vastgestelde toxoplasmose-besmetting. Met de door de reumatoloog vastgestelde aandoening fibromyalgie is rekening gehouden bij het opstellen van de FML. De informatie van de huisarts van 26 januari 2011 is meegewogen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit deze informatie blijkt van nierfunctiestoornissen in maart 2007 en een onschuldige hartritmestoornis in januari 2007. Appellant heeft niet onderbouwd dat uit deze aandoeningen op de datum in geding van 3 februari 2011 beperkingen voortvloeiden waarmee geen rekening is gehouden in de FML. De door Bavo Europoort in mei 2015 gestelde diagnose van PTSS, die overigens door Altrecht in het rapport van 28 oktober 2016 niet zonder meer kon worden bevestigd, ziet niet op de datum in geding en roept om die reden geen twijfel op aan de juistheid van de aangepaste FML van 19 augustus 2015. In de FML van 19 augustus 2015 is aldus op juiste wijze rekening gehouden met de bevindingen en conclusies van de deskundige, met de vastgestelde beperkingen ten aanzien van conflicthantering en samenwerken.

4.11.

Op basis van de aangepaste FML van 15 augustus 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van 13 juli 2016 de geselecteerde functie van gereedschapsmaker laten vervallen en de schatting vervolgens gebaseerd op de resterende functies van productiemedewerker industrie, samensteller elektrotechnische apparatuur/wikkelaar en machinebediende inpak-/verpakkingsmachine. De geschiktheid van deze functies voor appellant is afdoende gemotiveerd.

4.12.

Gelet op het voorgaande is bij bestreden besluit 2 terecht vastgesteld dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 3 februari 2011 en dat hij met ingang van die datum 42,46% arbeidsongeschikt is. Overigens blijkt uit het dossier dat bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2013 is bepaald dat appellant met ingang van

22 oktober 2012 volledig arbeidsongeschikt is wegens een klinische opname in het kader van psychiatrisch onderzoek. Dit besluit doet niet af aan de juistheid van het bestreden besluit 1, nu de volledige arbeidsongeschiktheid is aangenomen vanwege de (tijdelijke) niet beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.

4.13.

Gelet op overwegingen 4.5 tot en met 4.10 slaagt het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet.

4.14.

Gelet op de overwegingen 4.2 en 4.3 dient het Uwv te worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op een bedrag van in totaal € 3.465,- wegens in bezwaar (1 punt), beroep (2 punten) en hoger beroep (4 punten) verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt staat voor een bedrag van € 495.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep :

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar van 8 juni 2011;

- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 13 oktober 2016 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep

tot een bedrag van in totaal € 3.465,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van € 159,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP