Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2437

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
15/2883 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen kentekenregistratie en beëindiging daarvan. Intrekking, terugvordering, boete. Bewijsvermoeden dat er sprake is van handelstransacties. Financieel belang betreft inkomsten. Voldaan aan voorwaarde boeteoplegging. Voor hoogte van de boete wordt uitgegaan van het benadelingsbedrag waarvoor het netto terugvorderingsbedrag het uitgangspunt is. Grove schuld in verband met eerdere overtreding vanwege niet melden van kenteken op naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2883 WWB

Datum uitspraak: 13 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

13 maart 2015, 14/9897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.E. Wanrooij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, zoals gevraagd, een nadere toelichting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wanrooij. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in de periode van 1 maart 1997 tot en met 30 november 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft een medewerker van de gemeente Den Haag via Suwinet gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) geraadpleegd. Daaruit is naar voren gekomen dat in de periode van 3 december 2004 tot en met 16 augustus 2013 vijftien kentekens van auto’s op naam van appellant geregistreerd stonden. De meeste stonden enkele weken op naam van appellant geregistreerd, sommige slechts enkele dagen. Bij brief van 8 augustus 2013 heeft een medewerker appellant verzocht om verkoopnota’s van al zijn auto’s van het afgelopen jaar, en in ieder geval de verkoopnota’s van een vijftal nader aangeduide kentekens. Appellant heeft bij brief van 15 augustus 2013 meegedeeld dat hij geen verkoopnota’s heeft. Hij heeft zijn dochter willen helpen door de door haar gekochte auto’s voor haar op te halen. Deze auto’s kon hij alleen meenemen indien hij de kentekens op zijn naam zou laten overschrijven. Volgens appellant wordt het kenteken zo snel mogelijk na overdracht van de auto aan zijn dochter op haar naam overgeschreven. Bij brief van

11 november 2013 heeft een medewerker appellant verzocht om aankoopbewijzen, verkoopbewijzen en/of vrijwaringsbewijzen van vijftien nader met kentekens aangeduide auto’s die in de periode van 3 december 2004 tot en met 16 augustus 2013 op zijn naam stonden. Bij brief van 19 november 2013 heeft appellant nogmaals laten weten dat hij zijn dochter wilde helpen. Hij heeft verwezen naar zijn eerdere brief van 15 augustus 2013. Daarnaast heeft hij twee vrijwaringsbewijzen overgelegd.

1.3.

Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 13 februari 2014 de bijstand van appellant herzien over de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 augustus 2013. Het college heeft de bijstand over de maanden augustus 2005, januari en maart 2007, maart 2010, juni en december 2012 en augustus 2013 ingetrokken. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant geen melding heeft gemaakt van autobezit, waarbij geen sprake was van consumptief gebruik. Omdat appellant hierover geen gegevens heeft verstrekt, is het recht op bijstand niet vast te stellen. Daarnaast heeft het college de over de genoemde maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.200,16 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 26 maart 2014 (boetebesluit) heeft het college appellant, een bestuurlijke boete van € 6.210,- opgelegd.

1.5.

Bij besluit van 22 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 13 februari 2014 en 26 maart 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de opgelegde boete betreft en de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit wat betreft de boete is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het college de vereiste evenredigheidsbeoordeling pas in het verweerschrift had uitgevoerd. De opgelegde boete achtte de rechtbank echter in overeenstemming met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de overige omstandigheden van het geval.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.1.2.

Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is ingevolge artikel 54, derde lid, eerste volzin van de WWB, zoals dat luidde sinds 1 juli 2013, het college gehouden de bijstand te herzien, indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag bijstand is verleend.

4.1.3.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WWB, zoals dat luidde sinds 1 januari 2013, is het college verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.

4.2.

Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat de vraag voorligt of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de in 1.3 genoemde maanden in de periode van 1 augustus 2005 tot en met

31 augustus 2013 de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daartoe is het volgende van belang.

4.3.

Uit kentekenregistraties, zoals hier aan de orde, volgt de directe betrokkenheid van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Zonder diens geldige legitimatiebewijs is een registratie op zijn naam immers niet mogelijk. Het voertuig kan vervolgens niet op naam van een derde worden geregistreerd zonder dat de betrokkene de door hem ontvangen tenaamstellingsdocumenten aan die derde ter beschikking heeft gesteld. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s, dan is aannemelijk dat met betrekking tot die auto’s handelstransacties hebben plaatsgevonden. Bij tenaamstelling van een motorvoertuig ontstaat voor de betrokkene strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor verkeersboeten, een verzekeringsplicht en civiele aansprakelijkheid. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling van een motorvoertuig op naam van een persoon vrijwel steeds samenvalt met diens (gedeeltelijk) gerechtigd zijn tot dat motorvoertuig en/of het gebruik ervan. Mede gelet hierop en de waarde die ook oude motorvoertuigen kunnen hebben, is met de hier aangeduide handelstransacties voor de persoon die bij beide transacties betrokken was, een aanzienlijk (financieel) belang gemoeid, ook in zijn relatie tot de eerdere en latere kentekenhouder. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat zo een tussenpersoon in verband met de transacties inkomsten heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven die van belang zijn voor recht op bijstand. Los van de mogelijke waarde en daarmee de verkoopprijs van de motorvoertuigen zijn daarnaast ook eventuele werkzaamheden rond de aan- en verkoop daarvan (zoals bemiddeling bij aankoop, reparaties, rijklaar maken, transport etc.) van belang alsmede de vergoeding die de betrokkene daarvoor heeft ontvangen of kon bedingen.

4.4.

Uit 1.2 volgt dat appellant herhaaldelijk direct betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen een betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s. Daarmee is aannemelijk dat appellant is opgetreden als tussenpersoon, zoals bedoeld in 4.3, bij handelstransacties ten aanzien van die auto’s. Immers, naar vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) wordt de datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling, namelijk met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van betrokkene is geëindigd, als datum gehanteerd waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden.

4.5.

Appellant heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1928, aangevoerd dat het onderzoek dat het college heeft verricht onzorgvuldig is geweest, omdat dit niet is uitgevoerd door de sociale recherche. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft onderzoek verricht door via Suwinet gegevens van de RDW over kentekens die op naam van appellant stonden te raadplegen. Daarnaast is appellant verzocht nadere inlichtingen te verstrekken. Daarmee is het onderzoek dat het college heeft verricht niet onzorgvuldig geweest.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat geen sprake is geweest van handelsactiviteiten. De auto’s waren eigendom van zijn dochter, die hij wilde helpen door de kentekens op zijn naam te laten registreren. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 augustus 2013 in totaal vijftien kentekens van auto’s op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest, variërend van één dag tot vier maanden, en in een aantal gevallen was sprake van overlapping in de periode van de tenaamstelling. De stelling van appellant dat hij de auto’s aan zijn dochter heeft overgedragen, vindt geen steun in de gegevens van de RDW. Daaruit blijkt dat slechts twee kentekens op naam van de dochter van appellant zijn overgeschreven. Ten aanzien van de overige kentekens is dat niet gebleken. Gelet op de korte duur van de registratie op naam van appellant is niet aannemelijk dat de desbetreffende voertuigen uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik. De conclusie is dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant met betrekking tot deze auto’s handelstransacties heeft verricht.

4.7.

Appellant had melding moeten maken van wijzigingen in de tenaamstellingen van de vermelde auto’s, aangezien deze gegevens, gelet op het voorgaande, onmiskenbaar van belang zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Appellant heeft van zijn herhaaldelijke directe betrokkenheid bij dit soort transacties geen melding gemaakt. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting in verband met het bedrijven van autohandel heeft geschonden. De beroepsgrond van appellant dat hij niet op de hoogte was van het feit dat hij de transacties met auto’s diende te melden en dat hij

‘first offender’ is, slaagt niet. Aan appellant is immers reeds in 2007 een maatregel opgelegd wegens verzwegen autobezit van vóór 2005, zodat het bij hem bekend was dat hij deze transacties diende te melden.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Anders dan appellant stelt, ligt de stelplicht en bewijslast dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende maanden recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad, niet bij het college maar bij appellant. Het is niet aan het college om uit eigen beweging op zoek te gaan naar voor appellant ontlastende informatie. Appellant heeft aan deze stelplicht en bewijslast niet voldaan. Omdat appellant van de transacties geen boekhouding of administratie heeft bijgehouden en hij evenmin stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat de aan- en verkoopwaarde van de desbetreffende auto’s is geweest, kan niet worden vastgesteld of appellant over de maanden waarin die transacties hebben plaatsgevonden recht had op (aanvullende) bijstand. Dat het volgens appellant slechts ging om oude auto’s met een lage restwaarde, kan bij gebrek aan een boekhouding of administratie niet worden geverifieerd.

4.9.

Gelet op 4.4 tot en met 4.8 was het college gehouden de bijstand over de in 1.3 genoemde maanden in te trekken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.

Boete

Wettelijk kader

5.1.1.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat bij Wet van 23 augustus 2016 tot wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de regeling van de bestuurlijke boete

(Stb. 2016, 318), in werking getreden op 1 januari 2017, artikel 18a van de Participatiewet is gewijzigd in lijn met de rechtspraak van de Raad. Tevens is per dezelfde datum het Besluit van 19 september 2016 houdende wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten in verband met de mogelijkheid van een waarschuwing en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Stb. 2016, 342) (Boetebesluit) in werking getreden.

5.1.2.

Op grond van 5:46, tweede lid, van de Awb in samenhang met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn bij wijziging van wetgeving nadat een overtreding is begaan de meest gunstige bepalingen voor de overtreder van toepassing. Daar waar artikel 18a van de Participatiewet (PW) en het Boetebesluit per 1 januari 2017 voorzien in een lichtere bestraffende sanctie zal hieraan toepassing moeten worden gegeven.

5.1.3.

De gewijzigde leden van artikel 18a PW, voor zover in dit geding van belang, luiden als volgt:

“1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of (…). Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en (…) niet of niet behoorlijk zijn meegedeeld (…) en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en (…) niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld (…) en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. […]”

5.1.4.

De in artikel 18a, vierde en tiende lid, van de PW bedoelde algemene maatregel van bestuur, op grond waarvan nadere regels worden gesteld over de hoogte van de boete, is het Boetebesluit. Op grond van artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van het Boetebesluit wordt de boete bij opzet vastgesteld op 100% van het benadelingsbedrag, bij grove schuld op 75%, bij normale verwijtbaarheid op 50% en bij verminderde verwijtbaarheid op 25% van het bandelingsbedrag. Op grond van het negende lid van dit artikel dient het bestuursorgaan de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen. Het bestuursorgaan kan zich voor het bewijs baseren op door hem gestelde, en door betrokkene niet of niet voldoende weerlegde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten. Op grond van het tiende lid van dit artikel berust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden. In artikel 2a van het Boetebesluit zijn criteria opgenomen, die bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, in ieder geval leiden tot verminderde verwijtbaarheid, respectievelijk tot grove schuld of opzet.

5.2.

Uit wat onder 4.2 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat wegens schending van de inlichtingenverplichting in rechte is komen vast te staan dat appellant over de in 1.3 genoemde maanden geen recht op bijstand heeft. Gelet op artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden brengt dit echter niet mee, zoals blijkt uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451), dat de schending van de inlichtingenverplichting ook in dit geding over de bestraffende maatregel (maatregel) en de boete zonder meer een vaststaand gegeven is. Dit betekent dat de aan deze bestraffende sancties ten grondslag gelegde feiten en de gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting in volle omvang moeten worden beoordeeld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024) is de bewijslast bij bestraffende sancties als hier aan de orde zwaarder dan die bij het hanteren van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden. Het college dient dan ook aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden om een boete en een maatregel op te leggen. Hierbij is het volgende van belang.

5.3.

In dit geval zal het college dus moeten aantonen dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het hebben van kentekens op zijn naam en het niet melden van de daaruit voortvloeiende transacties. Anders dan ten aanzien van de intrekking en terugvordering is dus niet voldoende dat het college slechts aannemelijk heeft gemaakt dat appellant die kentekens op zijn naam had staan.

5.4.

Het college heeft aan de hand van de gegevens van de RDW aangetoond, dat ten tijde in geding, voertuigen op naam van appellant hebben gestaan en dat zich wijzigingen in de tenaamstelling hebben voorgedaan. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat appellant direct betrokken is geweest bij transacties van diverse auto’s. Gelet op wat in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, is een en ander onmiskenbaar van belang voor de bijstandsverlening. Appellant heeft echter verzuimd daarvan melding te maken bij het college. Daarmee heeft het college aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Vergelijk de uitspraak van heden in de zaak onder registratienummer 14/5497 WWB.

5.5.

Hiermee is in beginsel voldaan aan de voorwaarde van artikel 18a, eerste lid, eerste volzin, om een boete op te leggen.

Verwijtbaarheid

5.6.

Uit artikel 5:41 van de Awb volgt dat een boete eerst wordt opgelegd indien belanghebbende de overtreding is te verwijten. In dit geval had het appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het overdragen van op naam geregistreerde auto’s aan een derde relevant is voor (de voortzetting van) de bijstand. De schending van de inlichtingenverplichting is appellant dan ook te verwijten.

5.7.

Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval, anders dan het college heeft gesteld, geen sprake is geweest van opzet. Appellant blijft bij zijn standpunt dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, maar slechts zijn dochter heeft willen helpen. Deze beroepsgrond slaagt ten dele. Vaststaat dat in de periode van 3 december 2004 tot en met 16 augustus 2013 vijftien kentekens van voertuigen op naam van appellant stonden. Daarvan heeft appellant geen melding gemaakt bij het college. Zoals in 4.7 is overwogen, is aan appellant in 2007 eerder een maatregel opgelegd wegens het niet melden van een kenteken op naam. Gelet hierop, is bij appellant sprake geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid met betrekking tot het niet melden van kentekens op zijn naam bij het college dat hem grove schuld kan worden verweten. Het college heeft niet aangetoond dat appellant willens en wetens heeft verzwegen dat hij kentekens van voertuigen op zijn naam had staan, zodat het college ten onrechte opzet heeft aangenomen. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit.

Hoogte van de boete

5.8.

Onder het benadelingsbedrag, zoals volgt uit artikel 18a, tweede lid van de WWB, ongewijzigd overgenomen in artikel 18a, tweede lid, van de PW, wordt verstaan het bedrag dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Hierbij gaat het dus om het bedrag, dat, gelet op 5.1.1 tot en met 5.1.4, gevolg is van de door het college aangetoonde schending van de inlichtingenverplichting.

5.9.

Het college heeft aan de onder 1.3 genoemde intrekking en terugvordering van bijstand over de maanden waarin de handelstransacties zich hebben voorgedaan ten grondslag gelegd dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant niet (meer) is vast te stellen.

5.10.

Voor de vaststelling van de hoogte van de boete vormt het benadelingsbedrag met inachtneming van 5.8 het uitgangspunt. Dit benadelingsbedrag kan in beginsel gesteld worden op het netto bedrag dat het college wegens dezelfde schending van de inlichtingenverplichting heeft teruggevorderd of zou kunnen terugvorderen. Dit neemt niet weg dat er onder omstandigheden aanleiding kan zijn het benadelingsbedrag op een ander bedrag vast te stellen dan het bedrag dat het college van betrokkene wegens schending van de inlichtingenverplichting terugvordert. Dat is hier echter niet aan de orde. Appellant heeft ook in dit hoger beroep nagelaten financiële en andere gegevens te verstrekken over de aankoop en de verkoop van de auto’s alsmede over zijn werkzaamheden en betrokkenheid daarbij, zodat het recht op bijstand ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen.

5.11.

Uit 18a, eerste en tweede lid, in samenhang met de in 5.7 vastgestelde mate van verwijtbaarheid volgt dat de boete wordt vastgesteld op 75% van het benadelingsbedrag. Dit is het netto bedrag dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Het college heeft zich in het aanvullende verweerschrift van 13 april 2016 terecht op het standpunt gesteld dat het college ten aanzien van de hoogte van de boete voor wat betreft de periode van 1 januari 2005 tot

1 januari 2013 ten onrechte niet is uitgegaan van het sanctieregime van de Maatregelenverordening Inkomensvoorzieningen. Met toepassing van deze Maatregelenverordening bedraagt de boete € 889,02, zijnde 100% van de bijstand gedurende één maand, wat lager is dan 75% van het benadelingsbedrag van € 5.329,84 over die periode, zijnde € 3.997,38. Het benadelingsbedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met

31 augustus 2013 bedraagt € 880,16. Dit leidt tot een boetebedrag van € 660,12 over die periode. Uitgaande van die boetebedragen (€ 889,02 + € 660,12) resulteert dit in een boete van € 1.549,14.

5.12.

Appellant heeft aangevoerd dat in verband met zijn individuele omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat hij ‘first offender’ is, het opleggen van een boete van

€ 1.549,14 disproportioneel is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals reeds in 4.7 en 5.7 is overwogen, is aan appellant eerder in 2007 een maatregel opgelegd in verband met het niet melden van kentekens op naam. De stelling van appellant dat hij ‘first offender’ is dan ook evident onjuist.

5.13.

De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij de overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om een lager boetebedrag dan € 1.549,14 aan te houden.

5.14.

Gelet op 5.11 dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover het de hoogte van de vastgestelde boete betreft. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal het bedrag van de boete worden vastgesteld op € 1.549,14, aangezien een boete tot dat bedrag hier passend en geboden is.

Proceskosten

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde

gedeelte van het besluit van 22 september 2014 in stand zijn gelaten;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- herroept het besluit van 26 maart 2014;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 1.549,14 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het besluit van 22 september 2014;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J. Tuit

HD