Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
15/5616 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen en afwijzen nieuwe aanvraag. Aannemelijk gemaakt dat appellant meer uren werkte in de pizzeria dan opgegeven. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5616 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

2 juli 2015, 14/2950 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Huizen (college)

Datum uitspraak: 27 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Namens appellant is

mr. Maachi verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Vlaanderen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving, laatstelijk sinds 3 februari 2009, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant werkte sinds 6 februari 2008, met een onderbreking, als koerier op basis van een arbeidsovereenkomst als oproepkracht bij [bedrijf] , met verrekening van de inkomsten op de bijstand. De tijdstippen waarop de werkzaamheden werden verricht lagen in de regel tussen 17.30 uur en 21.30 uur. Op een heronderzoeksformulier, ondertekend op 22 maart 2013, heeft appellant ingevuld dat hij sinds 7 februari 2013 twee à drie uur per week werkt bij de [bedrijf] .

1.2.

Omdat een sociaal rechercheur van de sociale recherche Gooi- en Vechtstreek onderweg van werk naar huis appellant in het najaar van 2012 en in het voorjaar van 2013 tussen 16.00 uur en 17.00 uur regelmatig en op wisselende dagen bij de [bedrijf] zag, rees het vermoeden dat appellant meer uren werkte dan hij aan het college had opgegeven. Naar aanleiding van dit vermoeden heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche in de periode van

6 juni 2013 tot en met 29 juli 2013 waarnemingen gedaan bij de [bedrijf] en terwijl appellant onderweg was. In de periode van 20 juni 2013 tot en met 6 augustus 2013 zijn (ook) waarnemingen met een technisch hulpmiddel (camera) bij de [bedrijf] gedaan. Appellant is op 13 augustus 2013 gehoord en getuigen zijn gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 september 2013.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om de betaling van de bijstand van appellant per 1 augustus 2013 te blokkeren en bij besluit van 3 december 2013 (besluit 1) de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 6 juni 2013.

1.4.

Bij besluit van 4 december 2013 (besluit 2) heeft het college een nieuwe aanvraag om bijstand van appellant met als gewenste ingangsdatum 1 augustus 2013 afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 30 december 2013 (besluit 3) heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 6 juni 2013 tot en met 31 juli 2013 tot een bedrag van € 1.510,89 van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 1 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant meer uren bij de [bedrijf] werkte dan hij opgaf, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellant vanaf 6 juni 2013 verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Nu appellant ook naderhand geen duidelijkheid heeft verschaft over de omvang van zijn werkzaamheden en het inkomen dat hij daarmee heeft verdiend of had kunnen verdienen, kan het recht op (aanvullende) bijstand vanaf 6 juni 2013 niet meer worden vastgesteld. Uit wat appellant in verband met de nieuwe aanvraag om bijstand op 4 november 2013 heeft verklaard, moet geconcludeerd worden dat de situatie ten tijde van die verklaring niet wezenlijk veranderd was. Omdat de door appellant ingediende nieuwe aanvraag betrekking heeft op dezelfde periode als het college heeft beoordeeld in het kader van de intrekking en terugvordering van de bijstand, kan appellant geen reëel doel meer bereiken met de behandeling van zijn bezwaar tegen de afwijzing van die aanvraag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.

De te beoordelen periode loopt hier van 6 juni 2013 tot en met 3 december 2013.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat de sociale recherche ten onrechte tot het instellen van een bijzonder onderzoek naar zijn recht op bijstand is overgegaan, omdat er geen objectieve en concrete aanleiding was om redelijkerwijs te twijfelen aan de rechtmatigheid van de aan hem verstrekte bijstand. Op basis van een vermoeden van de sociaal rechercheur, die volgens appellant bevooroordeeld was, is de sociale recherche ten onrechte uit zichzelf onderzoek gaan doen en waarnemingen gaan verrichten. Het college had de aldus verkregen informatie daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

4.3.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college blijkens het ingevulde en ondertekende formulier “Aanvraag onderzoek SR G&V” op 6 mei 2013 aan de sociale recherche opdracht gegeven voor het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Op grond van artikel 53a van de WWB is het college bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand. Het college heeft op grond van artikel 53a van de WWB een algemene onderzoeksbevoegdheid die steeds en spontaan kan worden uitgeoefend en waarvoor geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden is vereist. De beroepsgrond faalt.

4.4.

Appellant betwist dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij betwist niet dat hij op meer dagen en tijden dan hij bij het college heeft opgegeven bij de [bedrijf] aanwezig was, maar wel dat hij meer uren heeft gewerkt dan hij aan het college heeft gemeld. Door zijn alcoholverslaving en omdat hij nagenoeg geen andere vrienden en sociale contacten heeft dan zijn werkgever, was hij regelmatig in zijn vrije tijd op de zaak zonder arbeid te verrichten. Het was voor appellant (ten tijde van de waarnemingen) goed om bij de pizzeria aanwezig te blijven, omdat zijn vriend pas omstreeks 21.30 uur of 22.00 uur het vasten verbrak, waardoor appellant dan niet in de verleiding kwam om alcohol te gebruiken. Appellant wist niet dat het college deze aanwezigheid en het incidenteel vergezellen van zijn vriend bij het doen van boodschappen of uitladen van inkopen en het verrichten van hand- en spandiensten zou aanmerken als het verrichten van op geld waardeerbare arbeid. Dat had hem vooraf duidelijk moeten worden gemaakt.

4.5.

Gelet op de uitspraak van 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3479, heeft het college ter zitting van de Raad het standpunt ingenomen dat ook zonder de cameraobservaties de onderzoeksgegevens voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant meer werkzaamheden voor de [bedrijf] heeft verricht dan hij aan het college had opgegeven. De Raad zal bij de beoordeling uitgaan van dit standpunt. De beroepsgrond dat met de cameraobservaties een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van appellant is gemaakt en is gehandeld in strijd met artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens behoeft daarom geen bespreking.

4.6.

Anders dan appellant aanvoert, blijkt uit de onderzoeksgegevens niet alleen dat hij in de te beoordelen periode buiten de opgegeven uren in de pizzeria aanwezig was, maar ook dat hij dan daadwerkelijk werkzaamheden voor de [bedrijf] verrichtte. Uit de fysieke waarnemingen die in de periode van 6 juni 2013 tot en met 29 juli 2013 zijn verricht blijkt dat appellant op verschillende dagen en tijden in of bij de [bedrijf] aanwezig was. Waargenomen is dat appellant pizza’s bezorgde of inkopen in- en uitlaadde voor de [bedrijf] , dat zijn fiets bij de [bedrijf] is aangetroffen, ook op andere dagen dan de dagen waarop appellant volgens zijn tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring werkte. Appellant heeft op 13 augustus 2013 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij meestal werkt van 18.00 uur tot 20.00 uur op donderdag en zondag en soms op een andere dag, dat hij soms blijft tot sluitingstijd (22.00 uur) of later en wel vaker naar de [bedrijf] gaat, soms wel iedere dag om te praten en koffie te drinken. Als hij daar is eet hij daar ook wel, waar hij niet voor hoeft te betalen. Hij gaat niet iedere dag, maar het gebeurt wel vaak, hij gaat meestal om 17:00 uur, maar het kan ook eerder zijn. Hij heeft dan ook wel eens wat bezorgd, maar dat was niet voor werk of geld. Uit vriendschap doet hij ook wel eens inkopen voor de [bedrijf] . De uren die hij heeft opgegeven zijn de uren die hij betaald kreeg. Op andere dagen dan hij aan het college had opgegeven hielp hij bij de [bedrijf] , maar kreeg daar dan geen geld voor. Soms kreeg hij dan wel van klanten een fooi. Appellant ziet dat niet als werken, omdat hij er, volgens zijn verklaring, geen geld voor kreeg. De eigenaar van de [bedrijf] , [naam 1] , heeft op

13 augustus 2013 bevestigd dat appellant soms inkopen voor het bedrijf deed en als hij niet werkt gewoon komt zitten en zegt dat H hem kan vragen als er werk is. Volgens H kwam appellant sinds twee of drie maanden geleden vaker. [naam 2] heeft, eveneens op

13 augustus 2013, verklaard dat zij als kok werkt op zondag, van een uur of vijf tot kwart over acht, dat er meestal één bezorger is, maar als het een drukke dag is er één bij komt. De bezorger die het meest werkt is appellant, de rest komt af en toe een keer. Appellant is er al als zij begint. Zij is al weg als de bezorger(s) weggaan. [naam 3] , die volgens haar verklaring van februari 2009 tot mei 2012 bij de [bedrijf] heeft gewerkt op vrijdagen van 17.00 uur tot 20.00 uur, heeft op 13 augustus 2013 verklaard dat appellant degene was die het meest bezorgde. Hij was er altijd eerder dan zij en als zij wegging bleef hij nog. Er werd volgens haar tot 21.00 uur bezorgd. Zij heeft voorts verklaard dat zij een maand of drie geleden nog een keer is ingevallen op een vrijdag en dat aan de situatie die zij omschreven heeft nog niets was veranderd, behalve dat [naam 4] , ook bezorger bij de [bedrijf] , er niet meer was. Ook uit de verklaringen van deze getuigen blijkt dus dat appellant meer bij de [bedrijf] werkte dan hij aan het college had opgegeven. De beroepsgrond faalt.

4.7.

Dat appellant in de te beoordelen periode meer uren bij de [bedrijf] werkte dan hij aan het college had opgegeven is een omstandigheid waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van belang is voor de verlening van bijstand. Dat appellant, naar hij stelt, voor zijn werkzaamheden geen geld ontving, doet daaraan niet af. Het betreft hier op geld waardeerbare arbeid die appellant aan het college had moeten melden. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Bovendien is, blijkens het rapport, destijds bij de aanvraag om bijstand door de desbetreffende rapporteur uitvoerig met appellant gesproken over zijn werkzaamheden als [functie] en over zwart, grijs en wit werk.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.9.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellant heeft over zijn werkzaamheden buiten de door hem opgegeven uren geen verifieerbare gegevens overgelegd. Door schending van de inlichtingenverplichting en het nalaten een administratie bij te houden van zijn activiteiten bij de [bedrijf] heeft appellant zelf het risico genomen dat hij achteraf niet meer zou beschikken over bewijsstukken om de omvang van de werkzaamheden of de hoogte van de inkomsten aannemelijk te maken. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van appellant te blijven. Dat het college nader onderzoek had moeten verrichten naar bijvoorbeeld een werkrooster of boekhoudkundige informatie van de werkgever, zoals appellant aanvoert, wordt niet gevolgd. Gelet op 4.8 lag het op de weg van appellant om deze gegevens te verstrekken. Dat heeft hij, ook in hoger beroep, niet gedaan.

4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant over de te beoordelen periode in te trekken.

Terugvordering

4.11.

Uit 4.10 volgt dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB gehouden was de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB ziet het college af van terugvordering wegens dringende redenen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien in de zin van deze bepaling kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hem tot onaanvaardbare sociale gevolgen leidt. Appellant beschikte vanaf 9 december 2013 weer over bijstand. Dat appellant door de terugvordering niet zal kunnen voorzien in de kosten van zijn alcoholverslaving, met alle mogelijke gevolgen van dien, is niet een zodanige reden. Daarbij is van belang dat appellant als schuldenaar de bescherming in kan roepen van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en hij dus steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm.

Nieuwe aanvraag

4.12.

De te beoordelen periode loopt hier van 1 augustus 2013, de datum met ingang waarvan appellant bijstand heeft gevraagd, tot en met 4 december 2013, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.13.

De beroepsgrond van appellant dat het college het bezwaar tegen het besluit van

4 december 2013 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, slaagt. Dat over het grootste deel van de in het kader van die aanvraag te beoordelen periode in een ander kader al besluitvorming heeft plaatsgevonden doet er niet aan af dat het college op de nieuwe aanvraag moet beslissen. Dat het college zich daarbij over een periode waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden in beginsel kan beperken tot een toetsing of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, maakt niet dat appellant geen belang bij die beoordeling heeft. Bovendien had het college in het kader van de intrekking en terugvordering nog niet beoordeeld of appellant op 4 december 2013 recht had op bijstand. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten dus, voor zover deze besluit 2 betreffen, worden vernietigd. Aansluitend zal worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven.

4.14.

Het college heeft in besluit 2, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, inhoudelijk beoordeeld of appellant in de te beoordelen periode recht op bijstand had. Het toetsingskader als vermeld in 4.13 is daarom niet aan de orde. Besluit 2 berust op de grond dat appellant in de te beoordelen periode nog steeds buiten de opgegeven uren bij de [bedrijf] aanwezig was en op geld waardeerbare activiteiten verrichtte waarvan de omvang niet duidelijk is, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.15.

Appellant heeft in het kader van zijn nieuwe aanvraag op 4 november 2013 verklaard dat hij niet meer elke dag naar de [bedrijf] gaat, maar nog wel heel vaak. Meestal werkt hij op de donderdag en/of zondagavond, meestal van 18.00 uur tot 20.00 uur. Als hij buiten die werktijden aanwezig is bij de [bedrijf] dan is hij daar als vriend.

4.16.

De aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek rechtvaardigt de vooronderstelling dat de desbetreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Vergelijk de uitspraak van 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4269. Appellant heeft met zijn enkele verklaring dat hij, als hij buiten werktijden aanwezig is, niet werkt, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, temeer niet omdat dat in elk geval in de voorafgaande periode blijkens het rapport anders was.

4.17.

Gelet op 4.14 tot en met 4.16 zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaren.

Slotsom

4.18.

Uit 4.10, 4.11 en 4.13 volgt dat het hoger beroep slaagt, dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover deze ziet op besluit 2 en dat de aangevallen uitspraak voor het overige moet worden bevestigd. Gelet op 4.17 zal het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond worden verklaard.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op het besluit van 4 december 2013;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het besluit van 4 december 2013 en verklaart het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2013 ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. ter Brugge en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2017.

(getekend) W.H. Bel

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

JL