Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
17/3804 WWB-VV-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proces-verbaal
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. De Raad bepaalt dat het college verzoekster 1 met ingang van heden behandelt als behorende tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de Participatiewet en overeenkomstig voorschotten op algemene of bijzondere bijstand verleent; en wijst het meer en anders verzochte af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3804 WWB-VV-PV, 17/3805 WWB-VV-PV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster 1] (verzoekster 1)
[verzoekster 2] (verzoekster 2), wettelijk vertegenwoordigd door verzoekster 1,

[verzoekster 3] (verzoekster 3), wettelijk vertegenwoordigd door verzoekster 1,

allen te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 30 juni 2017

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte

Griffier: S.A. de Graaff

Ter zitting is verzoekster 1 verschenen, mede als wettelijke vertegenwoordiger namens verzoekster 2 en 3 en bijgestaan door mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 17/3808 AKW plaatsgehad. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

  • -

    bepaalt dat het college verzoekster 1 met ingang van heden behandelt als behorende tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de Participatiewet en overeenkomstig voorschotten op algemene of bijzondere bijstand verleent;

  • -

    wijst het meer en anders verzochte af;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 990,-.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Bij besluit van 28 augustus 2012 heeft het college verzoekster 2 met ingang van 12 juli 2012 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande van 18, 19, 20 jaar (kinderbijstand). Bij besluit van 15 april 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2013 gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Bij besluit van 27 maart 2013, gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college de aanvraag van verzoekster 1 om bijstand ingevolgde de WWB afgewezen op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht op bijstand bestaat. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 20 november 2013, 13/4231 en 13/7322 (aangevallen uitspraak) de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Verzoeksters hebben hoger beroep ingesteld en zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad heeft bij uitspraak van 16 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:665, in onder meer de hoger beroepen van verzoeksters aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) uitspraak te doen over de wijze waarop artikel 20 van het VWEU moet worden uitgelegd. De Raad heeft de verdere behandeling van de gedingen aangehouden totdat het Hof uitspraak zal hebben gedaan.

Bij uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3279, heeft de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeksters afgewezen.

Bij arrest van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354, zaaknummer C-133/15,

Chavez Vilchez e.a.) (arrest) heeft het Hof de door de Raad gestelde vragen beantwoord en voor recht verklaard dat:

“1) Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat, voor de beoordeling of een kind, burger van de Europese Unie, genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en hem dus het effectieve genot van de essentie van de rechten die dat artikel hem verleent zal worden ontzegd indien aan zijn ouder, onderdaan van een derde land, een verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, de omstandigheid dat de andere ouder, burger van de Unie, daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een gegeven vormt dat relevant is, maar dat niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die onderdaan van een derde land is en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind in geval van een dergelijke weigering het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.

2) Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een onderdaan van een derde land, ouder van een minderjarig kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbindt dat die onderdaan de gegevens verschaft die aantonen dat het kind bij een weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder die onderdaan van een derde land is, het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Het is echter aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen teneinde, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben.”

Namens verzoeksters heeft mr. Weijsenfeld vervolgens bij brief van 11 mei 2017 een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het college meegedeeld dat uit contacten tussen het college en de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) is gebleken dat de IND naar verwachting op 14 juli 2017 haar standpunt bekend zal maken over de implicaties van het arrest voor de Nederlandse situatie. In verband daarmee heeft de IND te kennen gegeven dat verwacht wordt dat verzoekster 1 onder de reikwijdte van het arrest zal vallen en aan haar een verblijfsrecht zal worden toegekend, aldus het college. Dit betekent voor het college dat het verzoekster 1 niet meer tegenwerpt dat zij niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en dat verwacht wordt dat er vanaf de datum van de eerste aanvraag van 12 juli 2012 recht op bijstand zal bestaan. Het college zal daartoe een nader besluit nemen.

Gelet op het voorgaande is het zeer waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven en dat daarna de uiteindelijke uitkomst van de procedure aanmerkelijk anders zal zijn. Tevens wordt de vraag of gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een (voorlopige) voorziening vereist, bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de gezinssituatie van verzoeksters in aanmerking genomen. Het gaat in dit geval om een gezin met jonge, schoolgaande kinderen dat al jaren uitsluitend leeft van de kinderbijstand die verzoekster 2 krijgt en dat wordt opgevangen in een woning van de noodopvang, samen met andere gezinnen. Dit belang weegt thans zwaarder dan het belang van het college dat gelegen is in een relatief beperkt restitutierisico, mocht over enkele maanden blijken dat bijstand onverschuldigd is betaald. Over de ingangsdatum van de gegeven voorziening bestaat tussen partijen overeenstemming.

Gelet op de toewijzing van het verzoek bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van verzoekers als in het dictum bepaald.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzieningenrechter

(getekend) S.A. de Graaff (getekend) O.L.H.W.I. Korte

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

HD