Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
16/6726 WAO-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Weigering herziening besluit. Geen nieuwe feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6726 WAO-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 3 oktober 2016

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 juni 2017

Zitting heeft: mr. I.M.J. Hilhorst - Hagen

Griffier: L.H.J. van Haarlem

Ter zitting is verschenen: [appellant 1] te [woonplaats] (appellant). Het Uwv is, met bericht vooraf, niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2016 ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.1.

Bij brief van 30 juni 2015 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 11 februari 2002, waarbij zijn arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 15 tot 25. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2.

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het Uwv geweigerd het besluit van 11 februari 2002 te herzien, omdat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 3 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv ten tijde van het nemen van het besluit van

11 februari 2002 een onderzoek had moeten uitvoeren naar de mogelijkheid voor hem om zich (extern) te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Daartoe heeft hij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 4 oktober 1985, gepubliceerd in RSV 1986/21. Appellant heeft meegedeeld dat geen enkele verzekeringsmaatschappij hem wil verzekeren.

3. De Raad is van oordeel dat het Uwv in redelijkheid heeft kunnen besluiten met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht het verzoek om terug te komen van het besluit van 11 februari 2002 af te wijzen. Wat appellant heeft aangevoerd was al bekend of kon redelijkerwijs bekend zijn ten tijde van de besluitvorming over zijn recht op de uitkering op grond van de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), zodat appellant dit in de bezwaarprocedure dan wel de beroepsprocedure tegen het besluit van 11 februari 2002 naar voren had kunnen brengen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Wat appellant in het onderliggende geval heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Daartoe wordt opgemerkt dat appellant nog steeds verzekerd is voor de WAO. Om (eventueel) aanspraak te maken op een (hogere) WAO-uitkering, dient wel voldaan te worden aan de voorwaarden die de WAO daartoe stelt.

Waarvan proces-verbaal.

Utrecht, 9 juni 2017

De griffier. De voorzitter.

(get.) L.H.J. van Haarlem (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

IJ