Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2414

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
15/5243 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:4336, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als er sprake is – zoals in dit geval – van een re-integratie blokkerend advies, de verzekeringsarts de werknemer altijd oproept voor het spreekuur, en als dat niet kan, de werknemer altijd benadert om het medisch advies te bespreken. Dit is niet gebeurd. Onzorgvuldige voorbereiding besluit. Loonsanctiebesluit berust op een onvoldoende grondslag. Er is aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 10 april 2014, waarbij de loondoorbetalingsverplichting van werkgever is verlengd, te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5243 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 juni 2015, 14/7136 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Hervormde Stichting Bejaardenzorg Capelle aan den IJssel te Capelle aan den IJssel h.o.d.n. De Vijverhof (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkneemster] te [woonplaats] (werkneemster)

Datum uitspraak: 28 juni 2017

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Namens appellante is

J.M. Fokke, bedrijfsarts/verzekeringsarts, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Werkneemster is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Werkneemster heeft vanaf 2006 in dienst van appellante [naam instelling] gewerkt in de functie van afdelingsassistent voor 36 uur per week. Werkneemster is op 15 mei 2012 uitgevallen uit deze functie met buikklachten. Na een ziekenhuisopname is werkneemster in het huis van haar dochter opgevangen omdat werkneemster nog te zwak was om voor zichzelf te kunnen zorgen.

1.2.

Op 2 augustus, 11 oktober en 8 november 2012 heeft bedrijfsarts H.M.Th. Offermans werkneemster thuis bij haar dochter bezocht, omdat werkneemster volgens haar dochter niet zelf het spreekuur kon bezoeken. Om meer duidelijkheid te krijgen over de medische situatie van werkneemster, meer in het bijzonder over haar bedlegerigheid, heeft de bedrijfsarts bij de huisarts van werkneemster informatie opgevraagd. In de op 22 november 2012 verstrekte informatie maakt de huisarts melding van een algehele verzwakking van werkneemster na ziekenhuisopname en van een verwijzing naar een psychiater. Op 22 november 2012 heeft appellante bij het Uwv om een deskundigenoordeel verzocht met de vraag of werkneemster genoeg doet om weer aan het werk te gaan. Een verzekeringsarts heeft in haar rapport van

10 december 2012 op basis van de door de bedrijfsarts verstrekte gegevens, waaronder de informatie van de huisarts van werkneemster, geconcludeerd dat er een onvoldoende medische onderbouwing is voor de bedlegerigheid van werkneemster en dat het niet plausibel is dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden heeft. In een rapport van 17 december 2012 heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv vervolgens geconcludeerd dat werkneemster op dat moment niet belastbaar is met arbeid of re-integratie en dat de

re-integratie-inspanningen van werkneemster voldoende zijn. Dit arbeidskundig oordeel is bij het deskundigenoordeel van 21 december 2012 aan appellante verstrekt.

1.3.

Door onder meer de arbeidsdeskundige van de arbodienst van appellante is in het eerste halfjaar van 2013 vier maal telefonisch contact met werkneemster opgenomen en hoofdzakelijk met de dochter van werkneemster gesproken, waaruit naar voren is gekomen dat de medische situatie van werkneemster niet veel is verbeterd. Op 22 juli 2013 heeft de bedrijfsarts werkneemster weer op het adres van haar dochter bezocht en geconcludeerd dat er nog steeds geen mogelijkheden zijn tot re-integratie, ook niet in aangepaste werkzaamheden. Ook Fokke, als opvolgend bedrijfsarts, heeft dit geconcludeerd op basis van zijn huisbezoek aan werkneemster op 31 januari 2014. Hij heeft in zijn verslag vermeld dat werkneemster in bed lag en niet in staat was met hem te praten, door haar dochter gevoed werd en wegens incontinentie verschoond moest worden. Hij heeft vermeld dat de situatie van werkneemster recent is verslechterd, waarbij een rol speelt dat haar zus enkele dagen eerder was overleden. De bedrijfsarts heeft in zijn actueel oordeel over de re-integratie van werkneemster van

6 februari 2014 vermeld dat het psychisch en lichamelijk functioneren van werkneemster sinds het deskundigenoordeel achteruit is gegaan, dat zij nu vrijwel volledig bedlegerig is en door haar dochter wordt verzorgd, dat werkneemster geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft om te kunnen werken en dat zij in aanmerking lijkt te komen voor een IVA-uitkering.

1.4.

Werkneemster heeft op 20 februari 2014 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Een verzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit het rapport van 21 maart 2014, het re-integratieverslag beoordeeld. Zij heeft voor die beoordeling contact gezocht met de bedrijfsarts, die de verzekeringsarts heeft geadviseerd om een huisbezoek af te leggen om zich persoonlijk van de toestand van werkneemster op de hoogte te stellen. Nadat de familie van werkneemster een afspraak voor het spreekuur wegens de bedlegerigheid van werkneemster had geannuleerd, heeft de verzekeringsarts blijkens haar rapport een huisbezoek overwogen, maar daarvan afgezien, omdat zij daarvan geen meerwaarde verwachtte. Met betrekking tot het re-integratieverslag heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de mening van de bedrijfsartsen van appellante, dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden had in de periode van enkele maanden voor het deskundigenoordeel tot de huidige beoordeling, niet adequaat medisch is onderbouwd. De verzekeringsarts is van mening dat de bedrijfsarts geen activerend beleid heeft gevoerd, wat wel verwacht had mogen worden, waardoor re-integratiekansen zijn gemist. Een arbeidsdeskundige heeft naar aanleiding van het oordeel van de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante zonder dat zij daarvoor een deugdelijke grond had, onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

1.5.

Bij besluit van 10 april 2014 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellante als werkgeefster het loon van werkneemster tijdens ziekte moet doorbetalen met 52 weken verlengd tot 12 mei 2015, omdat appellante volgens het Uwv niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Bij besluit van 11 september 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 10 april 2014 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 11 september 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat in de periode vanaf het deskundigenoordeel in december 2012 tot de beoordeling van het

re-integratie-verslag, van de bedrijfsartsen gevergd had mogen worden dat zij hadden getracht om werkneemster uit de situatie van bedlegerigheid te halen door haar meer te stimuleren en te activeren of door medische hulp in te schakelen. De rechtbank volgt daarbij het standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv dat de bedlegerigheid van werkneemster niet plausibel was, niet was gestaafd met informatie van behandelend artsen en gedragsaspecten van werkneemster zijn geaccepteerd, omdat de bedrijfsartsen zijn uitgegaan van de bedlegerigheid. Volgens de rechtbank kan de bedrijfsartsen ook verweten worden dat niet opnieuw om een deskundigenoordeel is verzocht. Uit het gegeven dat werkneemster vanaf

13 mei 2015 door het Uwv in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering kan volgens de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, geen conclusie worden getrokken met betrekking tot de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van appellante.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij in redelijkheid geen mogelijkheden had om de bedlegerigheid van werkneemster te beïnvloeden en dat zij bij dit bijzondere ziektebeeld met de rug tegen de muur stond. Volgens appellante is de bedrijfsarts geen behandelaar en beperkt dat zijn mogelijkheden om in een situatie als deze te interveniëren. Het deskundigenoordeel waaruit appellante heeft afgeleid dat de re-integratie-inspanningen tot dat moment voldoende waren, is bepalend geweest voor het verdere handelen van de bedrijfsarts en nu er geen verbetering van de mogelijkheden van werkneemster optrad, waren er ook geen mogelijkheden tot re-integratie. Appellante heeft gesteld dat de bedrijfsarts in een situatie als deze goed in staat was zelfstandig de medische toestand te beoordelen en voorts dat het moeilijk was om van de huisarts van werkneemster informatie te krijgen. De bedrijfsarts heeft geen reden gezien om een psychiatrische expertise te laten verrichten bij werkneemster, omdat hij niet verwachtte dat die succesvol zou zijn, nu ook bij het laatste huisbezoek van werkneemster communicatie met haar niet mogelijk was.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevraagd de aangevallen uitspraak te bevestigen. In een rapport van 9 mei 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat uit het deskundigenoordeel al bleek dat er twijfels bestonden of werkneemster geen benutbare mogelijkheden had. Naar de mening van deze verzekeringsarts had de bedrijfsarts een meer activerend beleid moeten voeren, en niet moeten volstaan met enkele telefonische contacten en slechts twee huisbezoeken tussen het deskundigenoordeel en de beoordeling van het

re-integratieverslag. Werkneemster heeft allerlei medische onderzoeken ondergaan in die periode en de bedrijfsarts had de resultaten kunnen opvragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat de bedrijfsarts van mening is dat er bij werkneemster geen verbetering is opgetreden, terwijl haar huisarts in een op 23 februari 2015 gedateerd informatiebericht heeft genoteerd dat de psychiatrische behandeling van de ernstige depressie van werkneemster in eerste instantie een goed effect had, maar dat na het overlijden van een broer en een zus van werkneemster haar situatie weer is verslechterd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 65 van de Wet WIA beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

4.1.2.

Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde

re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedraagt ten hoogste 52 weken.

4.1.3.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de

re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op wat door werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Bij de beoordeling van de inspanningen let het Uwv op onder meer de opgestelde probleemanalyse en het opgestelde plan van aanpak.

4.1.4.

In de “RIV-toets in de praktijk, werkwijzer voor arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen van UWV” (RIV-toets) zijn in hoofdstuk 4 de taken van de verzekeringsarts beschreven bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen. Nadat de gang van zaken is beschreven als geen sprake is van een re-integratie blokkerend advies door de bedrijfsarts, staat in de RIV-toets onder 4.1:

“Wanneer er wel sprake is van een re-integratie blokkerend advies, dan roept de verzekeringsarts de werknemer altijd op. Tenzij de gezondheidstoestand van de werknemer zodanig is, dat een spreekuurbezoek niet mogelijk, of wenselijk, is. In die gevallen probeert de verzekeringsarts wel altijd de werknemer te benaderen om het medisch advies te bespreken”.

4.1.5.

In zijn rechtspraak heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat het besluit tot oplegging van een loonsanctie een door het Uwv ambtshalve genomen besluit is, met een voor een werkgever belastend karakter. Gelet daarop – en mede in aanmerking genomen de Beleidsregels – is het aan het Uwv om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Uit artikel 65 van de Wet WIA volgt dat het bij de beoordeling van de

re-integratie-inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. Het Uwv dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren en zal zich daarbij moeten houden aan de uitgangspunten van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar en het beoordelingskader van de Beleidsregels (zie bijvoorbeeld 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717).

4.2.

Niet in geschil is dat werkneemster ten tijde van de beoordeling van de

re-integratie-inspanningen niet in arbeid had hervat. Het Uwv heeft dan ook terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Dit brengt mee dat het Uwv kon toekomen aan een beoordeling van de

re-integratie-inspanningen. Vaststaat dat er door appellante geen relevante

re-integratie-inspanningen zijn verricht. Appellante heeft echter gesteld dat zij daarvoor een deugdelijke grond had, omdat werkneemster gedurende de gehele te beoordelen periode niet beschikte over benutbare mogelijkheden en er gelet op de concrete situatie waarin werkneemster verkeerde in redelijkheid niet van appellante kon worden verwacht dat activiteiten zouden worden ondernomen om de arbeidsmogelijkheden van werkneemster te verbeteren.

4.3.

Ter zitting is namens appellante geschetst dat het deskundigenoordeel en in het bijzonder het oordeel van de arbeidsdeskundige in het rapport van 17 december 2012 voor appellante en haar bedrijfsarts leidend is geweest. Appellante heeft daarin steun gezien voor haar standpunt dat werkneemster, door de situatie van het verblijf bij haar dochter, de bedlegerigheid van werkneemster, het voortduren van die situatie en het gebrek aan resultaat van de behandelaars, geen benutbare mogelijkheden had. Appellante heeft de gezondheidssituatie van werkneemster ook daarna gevolgd, door telefonische contacten met werkneemster en vooral haar dochter en door twee huisbezoeken, waaruit de bedrijfsarts heeft afgeleid dat van een verbetering van de situatie geen sprake was; bij het laatste huisbezoek werd zelfs een verslechtering vastgesteld. De bedrijfsarts was zich er wel van bewust dat er geen duidelijke medische onderbouwing was voor de bedlegerigheid van werkneemster en dat mogelijk gedragsaspecten en de relatie tot haar dochter een rol zou kunnen spelen hierbij. Voor activerende initiatieven of interventie in de behandeling heeft de bedrijfsarts echter geen ruimte gezien en de omstandigheden waren volgens de bedrijfsarts zodanig dat een psychiatrische expertise, hoewel overwogen, niet is bevorderd omdat de kans van slagen te beperkt werd geacht.

4.4.

Gezien wat appellante aan omstandigheden en interventies heeft beschreven is het niet onbegrijpelijk dat appellante en haar bedrijfsarts geen mogelijkheden zagen om met enige kans op succes re-integratie-instrumenten in te zetten. Vastgesteld wordt dat het Uwv, de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgend, het standpunt heeft ingenomen dat door de bedrijfsartsen ten onrechte ervan is uitgegaan dat werkneemster in het geheel geen benutbare mogelijkheden had. Dit standpunt is gebaseerd op het rapport van 21 maart 2014 van de verzekeringsarts, die werkneemster niet op het spreekuur heeft gezien en ervoor heeft gekozen om geen huisbezoek af te leggen, hoewel dat uitdrukkelijk was geadviseerd door de bedrijfsarts, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval. Deze handelwijze strookt niet met het beleidsuitgangspunt, zoals blijkt uit de in overweging 4.1.4 geciteerde passage uit de RIV-toets, dat als er sprake is – zoals in dit geval – van een re-integratie blokkerend advies, de verzekeringsarts de werknemer altijd oproept voor het spreekuur, en als dat niet kan, de werknemer altijd benadert om het medisch advies te bespreken. Gelet op het advies van de bedrijfsarts en de door de bedrijfsarts uitvoerig beschreven omstandigheden van dit geval was er voor de verzekeringsarts alle aanleiding om aan dit beleidsuitgangspunt uitvoering te geven. Nu dit in dit geval niet is gebeurd heeft het Uwv het besluit niet zorgvuldig voorbereid en genomen in strijd met het eigen beleid en moet worden geoordeeld dat het loonsanctiebesluit op een onvoldoende grondslag berust.

5. Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Omdat artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA eraan in de weg staan dat herstel van het gebrek in de besluitvorming van het Uwv tot oplegging van een loonsanctie leidt, is er aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 10 april 2014, waarbij de loondoorbetalingsverplichting van werkgever is verlengd, te herroepen.

6. Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 september 2014;

  • -

    herroept het besluit van 10 april 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het vernietigde besluit van 11 september 2014;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep

van totaal € 825,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) I.G.A.H. Toma

SG