Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
16/719 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om kwijtschelding op verkeerde wettelijke grondslag afgewezen. Overgangsrecht t.a.v. voor 1-1-2013 ontstane vorderingen. Niet voldaan aan beleidsuitgangspunten. Geen afwijzing o.g.v. 4:84 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 719 PW

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

9 december 2015, 15/2910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Ruijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.S. Sitaram.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 30 januari 2003 heeft het college de aan appellant en zijn toenmalige partner, Z. Ozdemir (toenmalige partner) toegekende bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 18 maart 1998 ingetrokken en de over de periode van 18 maart 1998 tot 1 november 2002 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 55.656,06 van hen beiden teruggevorderd. Aan de besluitvorming had het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting had geschonden door niet aan het college mee te delen dat hij werkzaam was als zelfstandige waardoor hij in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan kon voorzien. Per 1 januari 2004 is de Abw vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 23 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2014, heeft het college het verzoek van appellant van 29 augustus 2013 om kwijtschelding van de op dat moment nog openstaande schuld van € 44.686,11 afgewezen. Aan de besluitvorming had het college onder meer ten grondslag gelegd dat appellant niet gedurende 120 termijnen vrijwillig op de schuld had afgelost.

1.3.

Op 9 april 2015 heeft appellant het college (opnieuw) verzocht om kwijtschelding van de op dat moment nog openstaande schuld van € 43.511,66.

1.4.

Bij besluit van 14 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om kwijtschelding afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor kwijtschelding, omdat hij en zijn toenmalige partner afzonderlijk van elkaar geen 120 termijnen hebben afgelost. Voorts voldoet appellant niet aan de door het college in dit geval gehanteerde beleidsregels, nu sprake is geweest van invordering door middel van het leggen van beslag op het inkomen van appellant. Verder is geen sprake van bijzondere omstandigheden. Hierbij heeft het college verwezen naar artikel 58, zevende en achtste lid, van de Participatiewet (PW).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte artikel 58, zevende en achtste lid, van de PW/WWB van toepassing heeft geacht, waarin onder meer als voorwaarde voor kwijtschelding is bepaald dat een betrokkene gedurende 120 termijnen moet hebben afgelost. Voorts voert appellant, onder verwijzing naar richtlijn B125 van de Beleidsregels invordering van de gemeente Helmond, aan, dat aanleiding bestaat voor het college om op grond van bijzondere omstandigheden van zijn beleidsregels af te wijken. In dit verband stelt appellant dat zijn toenmalige partner ook (al langere tijd) op de schuld aflost. Voorts is hij door zijn medische klachten nagenoeg arbeidsongeschikt geworden en bevindt hij zich daardoor inmiddels in een uitzichtloze situatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in een uitspraak van 8 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3084), volgt uit het overgangsrecht van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet van 4 oktober 2012, Staatsblad 2012, 462) dat de wijziging van artikel 58, eerste lid, (waarbij de verplichting tot terugvordering is ingevoerd) en de toevoeging van artikel 58, zevende en achtste lid, van de WWB per 1 januari 2013, waarbij uitzonderingsmogelijkheden op het eerste lid zijn gecreëerd, niet van toepassing zijn op vorderingen die zijn ontstaan uiterlijk op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit artikel (artikel XXV, zesde lid, in samenhang gelezen met artikel XIV onder G van de Wet aanscherping). De vordering is hier ontstaan met de toezending van het terugvorderingsbesluit van 30 januari 2003. Hieruit volgt dat het college niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, verplicht was om ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen, maar dat hij daartoe bevoegd was. Dit betekent dat het bestreden besluit op een onjuiste juridische grondslag berust en daarom niet in stand kan blijven.

4.2.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.

4.3.

Ingevolge artikel 58 van de WWB (tekst tot 1 januari 2013) kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. Het gaat daarbij - naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid van het college. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647) ligt de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering daarin besloten, dus om het restant van de schuld kwijt te schelden.

4.4.

Op grond van artikel 11 van de Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ 2011 van de gemeente Helmond (beleidsregels), voor zover hier van belang, kan het college onder meer besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien indien de belanghebbende:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, eventueel vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald. Op grond van artikel 13 van de beleidsregels, is de in artikel 11 onder a en b genoemde termijn tien jaar indien het de aflossing van fraudevorderingen betreft. Ook mag geen sprake zijn van het ontstaan van een nieuwe fraudevordering in die periode. Zoals het college ter zitting desgevraagd nader heeft toegelicht, verschillen de beleidsregels materieel gezien niet van de, ten tijde van het onderhavige verzoek om kwijtschelding geldende, Beleidsregels invordering Helmond 2015.

4.5.

De beroepsgrond dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van zijn beleidsregels had moeten afwijken, slaagt niet. Appellant voert thans nagenoeg dezelfde omstandigheden aan als destijds in het kader van het eerste kwijtscheldingsverzoek. Appellant had ten tijde van het tweede kwijtscheldingsverzoek nog steeds niet gedurende 120 termijnen vrijwillig op de schuld afgelost, alleen al niet omdat enkel sprake is geweest van invordering door middel van het leggen van beslag op het inkomen van appellant. Ten aanzien van deze omstandigheid, die het college ook aan de eerste afwijzing ten grondslag had gelegd, is geen wijziging opgetreden. De stelling dat de toenmalige partner ook (al langere tijd) heeft afgelost op de schuld, doet hier niet aan af. Voor beiden geldt dat zij zich aan de betalingsverplichtingen moeten houden en dat zij - afzonderlijk van elkaar - gedurende ten minste 120 termijnen (vrijwillig) moeten hebben afgelost. De stelling dat appellant door zijn medische klachten nagenoeg arbeidsongeschikt is geworden en dat hij zich daardoor inmiddels in een uitzichtloze situatie bevindt houdt geen stand, al omdat appellant die stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5. Aanleiding bestaat het college in de proceskosten van appellant te veroordelen. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.488,-. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 juli 2015;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.488,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) L.V. van Donk

HD