Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
16/2546 WWB-W
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2546 WWB-W

Datum uitspraak: 3 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
1 maart 2016, 14/3698, in het geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college).

Op 4 mei 2017 heeft de Raad aan partijen meegedeeld dat het hoger beroep zal worden behandeld ter zitting van 6 juni 2017 door rechter O.L.H.W.I. Korte (behandeld rechter).

Bij brief van 15 mei 2017 heeft het college de Raad bericht voornemens te zijn niet op de zitting te verschijnen. Alvorens daartoe te besluiten, heeft het college gevraagd of de Raad op voorhand specifieke vragen voor het college heeft of dat de Raad het anderszins wenselijk acht dat het college ter zitting wordt vertegenwoordigd. In reactie op deze brief heeft de behandelend rechter bij brief van 17 mei 2017 laten meedelen dat er op voorhand geen specifieke vragen zijn en dat er ook geen aanleiding bestaat om het college te verzoeken op de zitting aanwezig te zijn. Het college heeft de Raad vervolgens bericht zich niet ter zitting te laten vertegenwoordigen.

Bij brief van 1 juni 2017 heeft mr. P.M.J. Graus namens verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.

De behandelend rechter heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Verzoeker en de behandelend rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 26 juni 2017. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De behandelend rechter is verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

2.1.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter met de brief van 17 mei 2017 uit zijn onpartijdige rol als procesbewaker is getreden. De behandelend rechter heeft volgens verzoeker nog voordat het onderzoek in de zaak is gesloten, niet alleen blijk gegeven van een bepaalde opvatting over de procedure en het verloop daarvan, maar ook over de inhoud en noodzaak van de zitting die nog moet gaan plaatsvinden. Volgens verzoeker had de behandelend rechter neutraal moeten antwoorden op het verzoek van het college en had hij geen expliciet antwoord op de vragen mogen geven. De behandeld rechter heeft volgens verzoeker de indruk gewekt dat de zitting van generlei waarde is, althans niets zal toevoegen aan het dossier en dat de behandelend rechter zijn beslissing over het hoger beroep al heeft genomen.

2.2.

In zijn verweerschrift heeft de behandelend rechter toegelicht dat hij het college heeft laten berichten dat er op voorhand geen specifieke vragen zijn, omdat het gebruik is dat deze – als deze er voor de zitting al zijn – schriftelijk worden gesteld of dat het college wordt opgeroepen. De behandelend rechter heeft bezien of voor de behandeling van de zaak, gelijk bij oproeping, grond of noodzaak bestond partijen alsnog te verzoeken aanwezig te zijn. Daarvan was volgens hem geen sprake.

3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is

(zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).

3.2.

De omstandigheid dat de behandelend rechter in reactie op een brief van het college heeft geantwoord dat er op voorhand geen specifieke vragen zijn aan het college en dat er ook geen aanleiding bestaat het college alsnog te verzoeken ter zitting aanwezig te zijn, vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de behandelend rechter jegens verzoeker vooringenomen is. Anders dan verzoeker meent, kan uit de reactie van de behandelend rechter niet worden afgeleid dat de zitting geen toegevoegde waarde heeft en dat de inhoudelijke beslissing al is genomen. Een voorlopige opvatting dat het standpunt van een partij uit de stukken blijkt, impliceert niet dat over dat standpunt al een oordeel is gevormd en dat wat ter zitting door de andere partij wordt aangevoerd geen vragen meer kan doen rijzen of aanleiding tot nader onderzoek kan zijn.

3.3.

Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het verzoek om wraking van de behandelend rechter moet worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M. Greebe en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M. Gayir

KP