Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
16/5462 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vso kan niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het aangekondigde en later bekend gemaakte ontslagbesluit (van 20 augustus 2014) is dat wel. Het bezwaar daartegen is tijdig ingediend en terecht ontvankelijk geacht. De brief van 11 augustus 2014 van appellant kon niet bewerkstelligen dat hij om die reden niet meer gebonden was aan de vso, vaste rechtspraak. De Raad is van oordeel dat het college appellant terecht gebonden heeft geacht aan de vso en het daaruit voortvloeiende ontslagbesluit terecht heeft gehandhaafd. Onderzoeksrapport is geen op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Ontslagbesluit is terecht gehandhaafd, daaruit volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/228
TAR 2017/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5462 AW

Datum uitspraak: 13 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

12 juli 2016, 15/2100 (aangevallen uitspraak), en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. van de Nadort hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. D. Kuijken, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Nadort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Kuijken en mr. P.A. Lie A Njoek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de provincie [provincie] , laatstelijk als [functie] .

1.2.

Op 13 mei 2013 is appellant door het college geschorst in afwachting van een onderzoek naar vermoedelijke fraude door provincieambtenaren.

1.3.

Op 9 augustus 2013 heeft appellant met zijn toenmalige raadsman mr. Machiels het onderzoeksrapport mogen inzien. Mr. Machiels heeft diezelfde dag aan het college het voorstel gedaan om een nader te bepalen minnelijke regeling te treffen, waarop het college op 12 augustus 2013 instemmend heeft gereageerd en heeft toegezegd om in dat geval geen aangifte tegen appellant te zullen doen.

1.4.

Appellant en het college hebben vervolgens een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten, die door het college is ondertekend op 19 september 2013 en door appellant op

28 september 2013. In de vso is - onder meer - bepaald dat appellant door middel van de ondertekening daarvan met ingang van 16 september 2013 ontslag neemt op eigen verzoek, welk ontslag hem door het college door middel van ondertekening van de vso wordt verleend. Tevens is in de vso opgenomen dat het college nog een formeel ontslagbesluit aan appellant zal sturen.

1.5.

Bij brief van 11 augustus 2014 heeft appellant zijn verzoek om ontslag ingetrokken.

1.6.

Bij brief van 20 augustus 2014 heeft het college appellant het in de vso genoemde ontslagbesluit doen toekomen. Appellant is daarbij met ingang van 16 september 2013 ontslag verleend op eigen verzoek op grond van artikel B.10 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies.

1.7.

Bij besluit van 21 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op geen enkele wijze is gebleken dat appellant onder zodanige druk heeft gestaan dat het ondertekenen van de vso hem niet aangerekend zou kunnen worden. Appellant werd bijgestaan door een advocaat. Samen hebben zij het onderzoeksrapport ingezien. De advocaat is betrokken geweest bij de voorbereiding en ondertekening van de vso. Tevens heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om te beslissen op het verzoek van appellant om schadevergoeding, omdat de oorzaken van de beweerde schade niet onder artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden gebracht.

3. Appellant heeft de juistheid van de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft aangevoerd dat appellant in zijn bezwaar tegen het ontslagbesluit van 20 augustus 2014 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en dat de rechtbank dat niet heeft onderkend. De Raad volgt het college hierin niet. De vso, waarin is overeengekomen dat appellant op eigen verzoek ontslag neemt, kan niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het in de vso aangekondigde en later bekend gemaakte ontslagbesluit (van 20 augustus 2014) is dat wel. Het bezwaar daartegen is tijdig ingediend en terecht ontvankelijk geacht.

4.2.

De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of appellant is gebonden aan de in de vso neergelegde afspraken.

4.2.1.

Appellant heeft in de eerste plaats betoogd dat hij aan de vso niet meer kan worden gehouden, omdat hij zijn ontslagverzoek bij brief van 11 augustus 2014 heeft ingetrokken.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 2 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3536) komt aan een ontslag op verzoek de grondslag te ontvallen, indien de ambtenaar een door hem gedaan verzoek om ontslag vóór het nemen van het ontslagbesluit intrekt door bekendmaking van die intrekking aan het bestuursorgaan. Uit de rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:912) blijkt echter dat dit anders is als de ambtenaar een overeenkomst tot beëindiging van het dienstverband is aangegaan dat tevens een verzoek tot het verlenen van ontslag inhoudt. In dat geval is de ambtenaar gebonden aan de afspraak en kan de ambtenaar niet meer zonder toestemming van het bestuursorgaan het ontslagverzoek intrekken. De brief van 11 augustus 2014 van appellant kan dus niet bewerkstelligen dat hij om die reden niet meer gebonden is aan de vso. Het betoog van appellant op dit punt slaagt dan ook niet.

4.2.3.

Appellant heeft verder betoogd dat hij niet aan de vso gebonden is omdat deze onder ontoelaatbare druk tot stand is gekomen.

4.2.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) worden afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat zowel voor het bestuursorgaan als voor de ambtenaar geldt. Dit kan anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet of niet meer in redelijkheid kan worden verlangd.

4.2.5.

De Raad is van oordeel dat het college appellant terecht gebonden heeft geacht aan de vso en het daaruit voortvloeiende ontslagbesluit bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd. Dat appellant ten tijde van het sluiten van de vso niet in staat was zijn wil te bepalen is niet gesteld of gebleken. Van ontoelaatbare druk is evenmin sprake geweest. Weliswaar kan worden gezegd dat appellant, geconfronteerd met het vermoeden dat hij betrokken was bij fraude en na inzage van het onderzoeksrapport, in enige mate emotionele en sociale druk heeft ervaren, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn wil ten aanzien van de minnelijke beëindiging van zijn dienstverband niet in vrijheid dan wel slechts onder onaanvaardbare druk heeft kunnen bepalen. Daarbij kent de Raad betekenis toe aan het feit dat appellant werd bijgestaan door een advocaat, die het initiatief heeft genomen om te komen tot een minnelijke beëindiging van het dienstverband en daarbij aan het college heeft voorgesteld dat het college afziet van het doen van aangifte jegens appellant en die de vso in concept heeft opgesteld. Appellant had er in overleg met zijn advocaat immers ook voor kunnen kiezen om het te laten aankomen op een aangifte en op te komen tegen een eventueel strafontslag. Het college mocht ervan uitgaan dat de advocaat het rapport had beoordeeld en appellant aan de hand daarvan had geadviseerd over zijn rechtspositie. Verder is van belang dat er tussen de dag van ondertekening van de vso door het college en de dag van ondertekening door appellant een als bedenktijd aan te merken periode van ongeveer een week is gelegen, waarin appellant de gelegenheid heeft gehad om de regeling terug te draaien indien hij dat had gewenst. Het is bovendien niet aannemelijk dat appellant, indien hij destijds ontoelaatbare druk had ervaren, bijna een jaar zou hebben gewacht, namelijk tot 11 augustus 2014, met het inroepen van de nietigheid van de vso. Tot slot overweegt de Raad dat aan de (conclusie van de) notitie van mr. dr. Anthonisse van 18 mei 2017 niet de betekenis toekomt die appellant daaraan toegekend wil zien, omdat - nog daargelaten diens deskundigheid, die door het college is betwist - Anthonisse ten onrechte slechts van belang acht hoe appellant de omstandigheden heeft beleefd, waaronder hij tot het sluiten van de overeenkomst is gekomen. Het gaat er immers om of die omstandigheden objectief bezien zodanig waren dat kan worden gesproken van ontoelaatbare druk.

4.2.6.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.5 volgt dat appellant is gebonden aan de vso. Het ontslagbesluit is bij het bestreden besluit dan ook terecht gehandhaafd.

4.3.

Het meergenoemde onderzoeksrapport is naar het oordeel van de Raad geen op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. In dit geval gaat het om ontslag op eigen verzoek, neergelegd in de vorm van een vso. De beweegredenen voor appellant om de overeenkomst te sluiten, liggen niet ten grondslag aan de inhoudelijke standpuntbepaling of besluitvorming van het college. Niet valt dan in te zien dat de feiten en omstandigheden die kunnen blijken uit het rapport van belang zijn voor het bezwaar en beroep tegen het uit de vso voortvloeiende besluit van 20 augustus 2014. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het rapport niet ingebracht hoefde te worden. Omdat appellant te kennen heeft gegeven dat de door hem voorgedragen getuigen kunnen worden gehoord juist omtrent (de inhoud en totstandkoming van) het onderzoeksrapport gaat de Raad aan het verzoek van appellant om deze getuigen te horen voorbij.

4.4.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van materiële schade (kosten verhuizing en juridische bijstand) en immateriële schade (aantasting van eer en goede naam). Nu de Raad in 4.2.6 heeft overwogen dat het ontslagbesluit terecht is gehandhaafd, volgt daaruit tevens dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is dan ook geen sprake. Voor zover appellant heeft willen betogen dat het college aansprakelijk is vanwege een onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, onder d, van de Awb, is de Raad van oordeel dat nu appellant in dit hoger beroep heeft nagelaten de beweerde schade (nader) te specificeren en onderbouwen, het verzoek van appellant om schadevergoeding reeds daarom moet worden afgewezen. Aan het verzoek van appellant om een arts te benoemen om een oordeel te geven over de psychische schade komt de Raad daarom niet toe.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A.M. Pasmans

HD