Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
15/282 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag terecht met toepassing van 4:5 buiten behandeling gelaten. Niet overleggen informatie over bedrijfsvoorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/282 WWB, 15/6953 PW

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2014, 14/4437 en 14/4438 (aangevallen uitspraak 1) en tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 september 2015, 15/1529 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.T.A.M. Mes, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft in de zaak 15/282 WWB een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 15/6950 WWB en 15/6951 WWB plaatsgevonden op 22 november 2016. Namens appellant is mr. Mes verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Veen. In de gevoegde zaken is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 1996 tot 2012 bijstand. Het college heeft bij besluit van 19 juli 2001 aan appellant toestemming verleend om naast de bijstand marginale bedrijfsactiviteiten te ontplooien. Appellant heeft deze werkzaamheden op 31 december 2012 formeel beëindigd. Bij de beëindiging van zijn bedrijf had appellant een bedrijfsvoorraad bestaande uit

brommer- en scooteronderdelen met een verkoopwaarde van € 39.294,-. Het college heeft appellant bij besluit van 25 februari 2013, herzien bij besluit van 17 juni 2013, (toekenningsbesluit) met ingang van 1 januari 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 20% toegekend.

1.2.

Bij besluit van 22 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juli 2014, heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2013 gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit onderzoek is gebleken dat appellant zijn bedrijfsmatige activiteiten niet heeft gestaakt. Appellant heeft geen administratie van de verkoopactiviteiten van brommer- en scooteronderdelen vanaf 1 januari 2013 overgelegd. De financiële situatie van appellant is onduidelijk gebleven, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.3.

Op 23 april 2014 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend.

1.4.

Bij brief van 29 april 2014, verzonden op 12 mei 2014, heeft het college appellant onder meer verzocht om de in de brief genoemde bewijsstukken te verstrekken en een vragenlijst in te vullen. Bij brief van 20 mei 2014 heeft het college meegedeeld dat appellant inmiddels een groot gedeelte van de gevraagde stukken heeft ingeleverd en heeft het college appellant verzocht om de overige in de brief van 20 mei 2014 genoemde gegevens uiterlijk op 28 mei 2014 te verstrekken.

1.5.

Bij brief van 4 juni 2014 heeft het college appellant verzocht om uiterlijk 18 juni 2014 een voorraadlijst te verstrekken waarop een duidelijke uiteenzetting staat van de huidige voorraad en aan te geven waar de voorraad zich op dit moment bevindt. Voorts wilde het college naar aanleiding van de ingeleverde actuele voorraadlijst de voorraad zien om te kunnen verifiëren of de voorraadlijst juist is. Appellant is er onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op gewezen dat zijn aanvraag zonder de gevraagde gegevens niet in behandeling kan worden genomen.

1.6.

Appellant heeft bij e-mail van 6 juni 2014 een voorraadlijst van 31 december 2012 toegestuurd.

1.7.

Bij besluit van 19 juni 2014 (besluit 1) heeft het college de aanvraag van 23 april 2014 met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld.

1.8.

Appellant heeft op 19 augustus 2014 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Appellant heeft daarbij een verklaring gevoegd waarin hij verklaart dat hij geen voorraad meer heeft en hiervan dan ook geen actuele voorraadlijst kan opstellen.

1.9.

Bij brief van 21 augustus 2014 heeft het college appellant verzocht om de in de brief genoemde bewijsstukken te verstrekken. Bij brief van 29 augustus 2014 heeft het college appellant verzocht uiterlijk op 12 september 2014 een voorraadlijst te verstrekken waarop een duidelijke uiteenzetting staat van de huidige voorraad en aan te geven waar de voorraad zich op dit moment bevindt. Voorts wil het college naar aanleiding van de ingeleverde voorraadlijst de voorraad zien om te kunnen verifiëren of de voorraadlijst juist is.

1.10.

Appellant heeft de gevraagde gegevens, waaronder de gevraagde voorraadlijst, niet overgelegd.

1.11.

Bij besluit van 15 september 2014 (besluit 2) heeft het college de aanvraag van

19 augustus 2014 met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld.

1.12.

Bij besluit van 2 oktober 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

1.13.

Bij besluit van 5 maart 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2,

tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Het college heeft op goede gronden appellant verzocht om gegevens over de ontwikkeling van de voorraad na de formele beëindiging van zijn bedrijf. Die gegevens bieden inzicht in de financiële situatie van de aanvrager en zijn noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen.

4.3.

Appellant heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt, ook niet nadat hij daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid werd gesteld. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is de gevraagde voorraadlijsten te leveren omdat hij niet langer over de voorraad beschikt. Hij heeft daarover geen schriftelijke gegevens verstrekt, zoals een bewijs van de overdracht van de voorraad en verifieerbare personalia van degene aan wie de voorraad beweerdelijk is overgedragen.

4.4.

Gelet op wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvragen van appellant buiten behandeling te stellen.

4.5.

De hoger beroepen slagen niet zodat de aangevallen uitspraken, met verbetering van gronden, moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en H.C.P. Venema en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C. Moustaïne

HD