Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:24

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
09-01-2017
Zaaknummer
15/4629 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering ten onrechte bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Geconcludeerd moet worden dat appellante gebruik heeft gemaakt van een door de werkgever tot stand gebrachte vertrekregeling die is gericht op de inkrimping van personeel. Gegeven het toetsingskader, kan in het geval van appellante niet worden gezegd dat sprake is geweest van een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. De rechtbank en het Uwv zijn ten onrechte tot een andersluidend oordeel gekomen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/74 met annotatie van G.C. Boot
SZR-Updates.nl 2017-0025
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4629 WW

Datum uitspraak: 4 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
21 mei 2015, 14/4753 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. E.C. Spiering hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.J.A. Boere. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 1 oktober 1978 in dienst getreden van het Ministerie van Financiën. Zij had een vaste aanstelling als ambtenaar in Rijksdienst. Laatstelijk was zij werkzaam bij de [naam onderdeel] in [woonplaats] voor zestien uur per week.

1.2.

Nadat appellante begin 2013 ziek was uitgevallen heeft zij op 25 april 2013 in het kader van haar re-integratie een gesprek gehad met haar teammanager [naam teammanager]. Blijkens het gespreksverslag heeft appellante gezegd dat zij het liefst alleen haar werkzaamheden als [functie] zou doen, maar dat dit financieel niet mogelijk is. [naam teammanager] heeft daarop geantwoord dat er verschillende regelingen vanuit de [naam onderdeel] zijn die medewerkers hulp bieden bij het opstarten van andere werkzaamheden indien een medewerker de [naam onderdeel] verlaat. Op 31 mei 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellante, [naam teammanager] en beleidsadviseur [naam a]. Blijkens het gespreksverslag heeft appellante uitgelegd hoe zij voor zichzelf wil beginnen en heeft [naam a] gezegd dat de mogelijkheden op dat moment naadloos aansluiten bij wat appellante wil. Vermeld is dat het de bedoeling is de uitstroom nog in 2013 te realiseren.

1.3.

In een mail van 4 juli 2013 [naam a] aan [naam b] staat onder meer het volgende:

“Het project ‘Uitstroom B/CA 2013’ is het vervolg op het project ‘Uitstroom B/CA 2012’. [naam C] (vanaf nu [C]) heeft zich aangemeld voor dit project.
kosten van inrichting en opstarten van haar bedrijf.
Het verzoek past binnen de context van het Project Uitstroom B/CA 2013:
- Artikel 34 lid 3 ARAR kent de voorziening bijzonder verlof van lange duur met behoud van bezoldiging (NB dit betreft een kan-bepaling, hetgeen wil zeggen dat het bevoegd gezag verantwoordelijk is voor het al dan niet toekennen).
- Indien dit bijzonder verlof wordt verzocht/verstrekt voor persoonlijk belang, is de periode van dit verlof gemaximeerd op 12 maanden
- In de Circulaire is opgenomen “bij het toepassen van kan-bepalingen dient het niveau van het Besluit SFB ook na 31 december 2014 als maximum te worden gehanteerd”
Advies leidinggevende [naam teammanager]:
Uit het advies van de bedrijfsarts blijkt dat terugkeer in de oude functie niet mogelijk is en dat er passend werk gezocht moet worden.Wat [C] onder passend werk verstaat is niet te vinden bij de B/CA. (…). De oplossing die [C] nu heeft gekozen, om voor zich zelf te beginnen is de beste oplossing voor alle partijen

Gelet op bovenstaande is het advies om in te stemmen met het ontslag op eigen verzoek per

1 januari 2014 onder toekenning van bijzonder verlof met behoud van bezoldiging gedurende de periode 1 september tot en met 31 december 2013 en haar een vergoeding in de kosten te verstrekken van € 12059,13 (netto uit te keren).


Advies
Gelet op het feit dat:
* er duidelijk sprake is van een organisatiebelang
* enerzijds nemen we op correcte wijze afscheid van een medewerkster met een eigen problematiek
* anderzijds levert het een bijdrage aan de doelstelling van het project

adviseer ik dan ook om:

* in te stemmen met het hierboven beschreven maatwerkadvies.”

1.4.

In genoemd maatwerkadvies is over het project ‘Uitstroom B/CA 2013’ het volgende vermeld:

“Context:
- Het Project Uitstroom B/CA 2013 is opgezet om de uitstroom van medewerkers van B/CA te faciliteren
- De initiële overweging voor het Project komt voort uit de wens en noodzaak om evenwicht te brengen tussen formatie en bezetting
- Secundaire overwegingen om uitstroom van medewerkers B/CA te entameren bestaan uit het leveren van een bijdrage aan employability (‘juiste persoon, juiste plek, juiste moment’) en duurzame inzetbaarheid (‘vitaliteit’)
- De voorzieningen om uitstroom van medewerkers te faciliteren passen enerzijds binnen vigerende regelgeving en bestaan anderzijds altijd uit individueel maatwerk
- Actueel vigerende en toepasbare regelgeving is opgenomen in het RPVB en ARAR, alsmede in Circulaire BZK nr.2011-2000427504 d.d. 28 september 2011 met als onderwerp: Kader handelwijze vanwege aflopen Besluit Sociaal Flankeren Beleid sector Rijk 2008-2012 (verder Circulaire) en ligt in de lijn van het werk naar werk (VWNW) beleid.”

1.5.

In een mail van 5 juli 2013 heeft Zwier appellante meegedeeld dat Nijkamp akkoord is met appellantes uitstroomverzoek, dat appellante nu zelf ontslag moet nemen via P-Direkt en dat [naam teammanager] een uitstroomformulier moet invullen met daarin de toegekende faciliteiten.
Blijkens een ongedateerd P-Direktformulier heeft appellante met ingang van 1 januari 2014 ontslag gevraagd en daarbij als toelichting vermeld: “Ontslag op eigen verzoek met wederzijds goed vinden. Dit vanwege het niet meer kunnen functioneren in huidige functie.”

1.6.

Op 4 januari 2014 heeft appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 7 januari 2014 heeft het Uwv appellante die uitkering met ingang van 1 januari 2014 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd, omdat zij zelf ontslag heeft genomen zonder dat dit nodig was en daardoor verwijtbaar werkloos is geworden.

1.7.

Appellante is vervolgens gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze heeft in een rapport van 4 februari 2014 geconcludeerd dat er geen sprake is van een medische reden voor het ontslag. De ontslagname is het gevolg van een maandenlange voorbereiding, in overleg met de werkgever, reïntegratiebedrijf en bedrijfsarts. Appellante heeft geen direct en keihard advies vanuit de curatieve sector gekregen om ontslag te nemen.

1.8.

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft het Uwv opnieuw geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering, met als reden dat er geen medische noodzaak was ten tijde van de ontslagname, appellante ontslag nam terwijl dat niet nodig was en daardoor verwijtbaar werkloos is.

2. Bij besluit van 4 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 februari 2014 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Op geen enkele wijze blijkt dat, indien appellante zelf geen ontslag zou hebben genomen, de werkgever tot beëindiging van de dienstbetrekking zou zijn overgegaan. Dat appellante zelf ontslag moest nemen, teneinde gebruik te kunnen maken van de vergoedingsvoorzieningen van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 (Stb. 2010, 233; hierna Besluit SFB) doet niet af aan het gegeven dat het de eigen weloverwogen keuze van appellante is geweest haar dienstbetrekking te beëindigen. Er is geen sprake van een bedrijfseconomische reden voor beëindiging van de dienstbetrekking, waarbij het initiatief eigenlijk bij de werkgever ligt of anderszins van een vertrekregeling als bedoeld in de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 van het Uwv (hierna: Beleidsregels). Het SFB bevat voorgeschreven afvloeiregelingen voor herplaatsingskandidaten, maar dat is appellante niet. Er is gebruik gemaakt van de zogenaamde kan-bepalingen uit het Besluit SFB om appellante te faciliteren bij haar vertrek. Ook al beogen deze bepalingen de afbouw van te verwachten overtollige ambtenaren, er is geen sprake van een vertrekregeling als bedoeld in de Beleidsregels.

4. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat het feit dat zij in vrijheid gebruik heeft gemaakt van een vertrekregeling niet maakt dat sprake is van verwijtbare werkloosheid. Appellante beschouwt zichzelf als ‘plaatsmaker’. Dat gebruik is gemaakt van de kan-bepalingen uit het Besluit SFB draagt bij aan het door de werkgever nagestreefde doel om in te krimpen. Dat maakt dat haar vertrek onmiskenbaar een bedrijfseconomische achtergrond had. De plaatsmaker valt binnen de reikwijdte van paragraaf 2 van de Beleidsregels. Appellante ziet steun voor haar standpunt in de uitspraak van de Raad van

18 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:857).

5. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Er was volgens het Uwv geen sprake van een bedrijfseconomische reden voor de beëindiging van de dienstbetrekking, waarbij het initiatief eigenlijk bij de werkgever lag of anderszins van een vertrekregeling als bedoeld in de Beleidsregels. Onder de (in 1.4 genoemde) Circulaire blijft het nog steeds mogelijk om in plaats van of vooruitlopend op een klassieke reorganisatie met gebruikmaking van de mogelijkheden binnen de reguliere rechtspositie uitstroom te bevorderen om verwachte overtolligheid te voorkomen. De te nemen maatregelen zijn dan grotendeels vergelijkbaar met wat onder het Besluit SFB mogelijk was. Instrumenten en voorzieningen kunnen worden aangeboden aan herplaatsingskandidaten en aan andere ambtenaren. Deze laatste categorie betreft ambtenaren voor wie overtolligheid dreigt of voor wie gedwongen standplaatswijziging aan de orde is, alsmede ambtenaren waarbij door de toekenning van een voorziening herplaatsing van een herplaatsingskandidaat wordt gerealiseerd. Appellante was echter geen herplaatsingskandidaat en niet gebleken is dat zij onder de categorie “andere ambtenaren” viel. De werkgever heeft ook niet verklaard dat het vertrek van appellante bijdraagt aan de afbouw van te verwachten overtollige ambtenaren.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW rust op de werknemer de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen. De werknemer is op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW verwijtbaar werkloos geworden als zijn dienstbetrekking is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

6.2.

In de uitspraak van 3 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:820) zoals herhaald in de onder 4 genoemde uitspraak van 18 maart 2015 heeft de Raad het toetsingskader uiteengezet voor de vraag of een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien deze werknemer vrijwillig gebruik maakt van een tot stand gebrachte vertrekregeling. In de uitspraak is met verwijzing naar eerdere rechtspraak vermeld dat de vraag of sprake is van een beëindiging van een dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer een materiële beoordeling vereist en dat aan de omstandigheid dat werknemer op zijn verzoek ontslag is verleend, geen doorslaggevende betekenis toekomt. Een ontslagverzoek moet in de context worden bezien, bijvoorbeeld omdat een dergelijk verzoek door de werknemer kan zijn gedaan om direct bij te dragen aan een om bedrijfseconomische redenen door de werkgever gewenste inkrimping van personeel. Daarbij is als uitgangspunt geformuleerd dat een bedrijfseconomische noodzaak om de omvang van het personeel te reduceren een omstandigheid is die geheel in de sfeer van de werkgever ligt. Daarnaast heeft als uitgangspunt te gelden dat indien een werknemer van een door de werkgever aangeboden regeling van vrijwillig vertrek gebruik maakt, zijn ontslagverzoek in het algemeen impliceert dat zijn vertrek bij de werkgever is toe te schrijven aan een bedrijfseconomische grond. Voorts is overwogen dat de uitgangspunten die het Uwv in paragraaf 2 van de Beleidsregels heeft neergelegd, waaronder het uitgangspunt dat het vrijwillig door een werknemer gebruikmaken van een om bedrijfseconomische redenen tot stand gebrachte vertrekregeling niet wordt beschouwd als een einde van de dienstbetrekking op initiatief van de werknemer, in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever om de reden voor de beëindiging van de dienstbetrekking bepalend te doen zijn voor de beoordeling van de verwijtbaarheid van de werkloosheid. Daarbij is benadrukt dat op het Uwv steeds de verplichting rust na te gaan of de betrokken werknemer onder de werkingssfeer van een overeengekomen vertrekregeling valt, en zo ja, of dat plan voorziet in een regeling van vrijwillig vertrek van werknemers wegens een noodzakelijk gebleken inkrimping van personeel en of aan die werknemer daadwerkelijk de daarin opgenomen faciliteiten zijn verstrekt.

6.3.

Het Uwv heeft zijn standpunt dat geen sprake is van een door appellante gebruikmaken van een om bedrijfseconomische redenen door de werkgever tot stand gebrachte vertrekregeling, gebaseerd op door [naam teammanager] aan het Uwv telefonisch verstrekte informatie, zo is ter zitting bevestigd. Blijkens een telefoonnotitie van 3 juni 2014 heeft [naam teammanager] de gang van zaken voorafgaand aan het ontslagverzoek geschetst, zoals hiervoor in 1.2 beschreven. Hij heeft voorts verklaard dat geen sprake is geweest van een reorganisatie of beëindiging van de functie om bedrijfseconomische redenen. Deze verklaring strookt echter niet met en doet overigens ook niet af aan de onder 1.3 en 1.4 geciteerde interne stukken van de [naam onderdeel]. Daaruit blijkt dat de [naam onderdeel] appellante de mogelijkheid heeft geboden om gebruik te maken van voorzieningen in het kader van het project ‘Uitstroom B/CA 2013’. Dit project is opgezet om de uitstroom van medewerkers van de Centrale Administratie te faciliteren, waarbij de initiële overweging was de wens en noodzaak om evenwicht te brengen tussen formatie en bezetting. Het gaat derhalve om een project dat is gericht op vertrek van medewerkers teneinde het personeelsbestand van dit onderdeel van de [naam onderdeel] te verkleinen. Aan appellante zijn voorts voorzieningen aangeboden die, blijkens de in het maatwerkadvies gegeven regelingen, overeenkomen met de voorzieningen die in het kader van reorganisaties bij het Rijk mogelijk zijn. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat appellante gebruik heeft gemaakt van een door de werkgever tot stand gebrachte vertrekregeling die is gericht op de inkrimping van personeel.

6.4.

Hieruit volgt dat, gelet op het in 6.2 weergegeven toetsingskader, in het geval van appellante niet kan worden gezegd dat sprake is geweest van een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. De rechtbank en het Uwv zijn ten onrechte tot een andersluidend oordeel gekomen.

6.5.

Wat in 6.1 tot en met 6.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen. Het Uwv dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door het Uwv te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van appellante slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

7. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 495,- in bezwaar, op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep, in totaal € 2.475,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen met
    inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat beroep tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.475,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

IJ