Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
16/6973 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het in hoger beroep aangevoerde is in essentie herhaling van eerdere standpunten. De Raad stelt zich achter oordeel rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. Intrekken eerdere bekentenis, discrepanties, niet geloofwaardig, niet verifieerbaar. Plichtsverzuim is toerekenbaar en, gelet op de aard en de ernst ervan, is de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6973 AW

Datum uitspraak: 13 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

27 september 2016, 16/1957 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weijling. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Pullens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1973, was sinds 14 februari 2005 in dienst bij de [dienst] . Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van [functie 1] bij de [onderdeel 1] . Vanuit deze functie is hij per 1 augustus 2014 gedetacheerd en in de functie van [functie 2] werkzaam geweest bij de afdeling [afdeling] van de [onderdeel 2] .

1.2.

Op 7 februari 2015 is appellant aangehouden op verdenking van een aantal strafbare feiten. De staatssecretaris heeft op 18 februari 2015 de processen-verbaal van de verhoren van appellant ontvangen van de politie.

1.3.

Op 23 februari 2015 heeft appellant in een gesprek met de directeur van de [onderdeel 2] verklaard dat hij was aangehouden omdat hij B, een buurman van zijn moeder, probeerde weg te pesten uit diens woning in het flatgebouw. Appellant verdacht B ervan dat hij betrokken was bij de diefstal van sieraden uit de woning van zijn moeder. Appellant was met wegpesten begonnen door het versturen van belastende e-mails en het ophangen van belastende briefjes in de flat. Ook heeft hij de banden van aan B toebehorende fietsen laten leeglopen, een spijker in het slot van B geslagen en diens brievenbus volgespoten met isolatieschuim. Omdat hij geen resultaat van zijn acties zag, is appellant vervolgens overgegaan tot het op naam van B versturen van brieven met opruiende teksten en het op naam van B bestellen van kinderporno. Appellant hoopte daarmee te bereiken dat B uit de flat weg zou gaan.

1.4.

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is appellant onderzocht door een psycholoog en een psychiater, die hebben geconcludeerd dat appellant ten aanzien van het tenlastegelegde (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar is te achten. Bij vonnis van 5 juni 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland appellant veroordeeld tot onder meer een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft daartoe bewezen geacht dat appellant de eer en goede naam van B heeft aangerand en B heeft beledigd, dat hij bestelformulieren valselijk heeft opgemaakt door deze te ondertekenen met de naam van B en dat hij zich op naam van B bedreigend en opzettelijk beledigend heeft uitgelaten door meerdere brieven met opruiende teksten te versturen naar een aantal moskeeën. De rechtbank heeft appellant daarbij zwaar aangerekend dat hij in een tijd van maatschappelijke onrust vanwege de ernstige aanslagen in Parijs, deze actualiteit heeft misbruikt voor zijn eigen doel. Dat er geen ernstige incidenten zijn voorgevallen is niet aan appellant te danken maar aan de terughoudendheid van de briefontvangers en de politie. Ook heeft appellant de belangen van B ernstig geschonden.

1.5.

Nadat appellant zijn zienswijze over het voornemen daartoe had gegeven, heeft de staatssecretaris hem bij besluit van 26 oktober 2015 met toepassing van de artikelen 80 en 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wegens zeer ernstig plichtsverzuim per 28 oktober 2015 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. De staatssecretaris heeft aan het plichtsverzuim ten grondslag gelegd dat appellant extreem heeft gereageerd, zowel op schrift als in handeling, op een zich voordoende situatie in het privédomein waardoor appellant een potentieel risico voor de dienst is en het risico van doorwerking in de arbeid op de loer ligt. Verder is aan het plichtsverzuim ten grondslag gelegd het gebruik van bedrijfsmiddelen (laptop, printer en e-mailfaciliteit) voor het begaan van de bewezen verklaarde feiten met tevens het risico dat gegevens lekken en in handen vallen van collega’s of derden, waardoor de kans op verstoring van de interne orde reëel aanwezig is. Ook is aan het plichtsverzuim ten grondslag gelegd het plegen van valsheid in geschrifte.

1.6.

Bij besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit ) heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 26 oktober 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de staatssecretaris het plichtsverzuim heeft gebaseerd op de bekennende verklaringen van appellant. Appellant heeft deze bekennende verklaringen na het vonnis van de strafrechter herroepen en gesteld dat hij weliswaar de schuld op zich heeft genomen, maar dat een oom en een neef de gedragingen hebben verricht. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij schuld heeft bekend voor feiten die hij niet heeft gepleegd, heeft appellant diverse e-mails van zijn behandelend klinisch psycholoog overgelegd. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 25 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6957), geen aanleiding gezien voor het oordeel dat niet mag worden uitgegaan van de door appellant aanvankelijk afgelegde bekennende verklaringen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat appellants stelling, dat hij niet langer de schuld op zich wil nemen voor gedragingen die hij niet heeft gepleegd en waarin zijn familie te ver is gegaan, niet strookt met zijn weigering om de naam van het betreffende familielid bekend te maken. Door deze weigering is zijn verklaring dat niet hij maar zijn neef schuldig is aan de hem verweten gedragingen immers niet verifieerbaar. Voorts komt de toelichting van appellant, dat hij de schuld op zich had genomen voor drie “kleine dingen” en vervolgens niet meer terug kon toen hij begreep dat het om veel meer ging, niet overeen met de volgorde van de gebeurtenissen zoals die blijkt uit het dossier. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant de verweten gedragingen heeft begaan en dat dit feitelijk gedrag ernstig plichtsverzuim oplevert. De vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is een vraag naar de juridische kwalificatie van het feitencomplex, waarbij van doorslaggevende betekenis is of appellant de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Dat appellant in het strafrechtelijk onderzoek (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar is geacht maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het plichtsverzuim niet (gedeeltelijk) toerekenbaar is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de aard en de ernst van de verweten gedragingen, ook als rekening wordt gehouden met de (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid waartoe is geconcludeerd in het strafrechtelijk onderzoek, zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig te achten is.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat en zakelijk weergegeven, gesteld dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten en dat de rechtbank ten onrechte de intrekking van zijn eerdere verklaringen als ongeloofwaardig heeft afgedaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant nogmaals gewezen op de e-mails van de behandelend psycholoog. Als subsidiaire grond heeft appellant aangevoerd dat, indien ervan uit zou worden gegaan dat hij de gedragingen wel heeft begaan, het plichtsverzuim hem in sterk verminderde mate is toe te rekenen en in dat geval het opleggen van de zwaarste straf van ongevraagd ontslag onevenredig is in verhouding tot de ernst van de ten laste gelegde feiten, zulks zeker als daarbij mede in overweging wordt genomen dat de strafbare feiten zijn begaan in de privésfeer en appellant geen publieksfunctie heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van de door hem in beroep ingenomen standpunten. Deze standpunten zijn in de aangevallen uitspraak afdoende aan de orde gesteld en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Door appellant zijn in hoger beroep geen argumenten aangevoerd of nieuwe informatie overgelegd die aanleiding kunnen zijn voor een andersluidend oordeel. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

4.2.

Evenals de rechtbank acht de Raad de, eerst geruime tijd na de uitspraak van de strafrechter afgelegde, verklaring van appellant waarin hij zijn eerdere bekentenis heeft ingetrokken, gelet op de discrepanties daarin ten opzichte van de feiten zoals die uit het dossier naar voren komen, niet geloofwaardig. Dit temeer nu appellant ook in hoger beroep heeft geweigerd de identiteit bekend te maken van het familielid dat de gedragingen zou hebben gepleegd, zodat de juistheid van het door appellant geschetste scenario niet kan worden geverifieerd. De mededeling van de behandelend psycholoog dat zij het vanuit de psychologische problematiek en culturele achtergrond van appellant mogelijk acht dat hij de hem verweten gedragingen niet heeft begaan, is onvoldoende om de eerste verklaringen van appellant voor onjuist te houden.

4.3.

Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Appellant is hierin niet geslaagd. Uit de handelwijze van appellant blijkt dat hij bewust gekozen heeft om steeds verdergaande en meer ingrijpende acties te ondernemen met het doel om B te bewegen tot verhuizen. Daarbij heeft appellant maatregelen genomen om ontdekking te voorkomen, zoals het gebruik van handschoenen. Hieruit blijkt dat appellant inzag dat zijn optreden niet geoorloofd was. Voorts kan uit de rapportages van de psycholoog en de psychiater in de strafzaak, waarnaar appellant heeft verwezen, niet worden geconcludeerd dat hij in het geheel niet inzag dat hij te ver ging en dat hij niet in staat was zijn gedrag te beëindigen.

4.4.

Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim, waarbij sprake was van doorgaand gedrag en een aanmerkelijke kans bestond dat de veiligheid van B in gevaar kwam en waarbij door appellant gebruik is gemaakt van bedrijfsmiddelen om zijn doel te bereiken, is de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig. De staatssecretaris heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat appellant ten tijde van de hem verweten handelingen steeds in staat was zijn werk naar behoren te verrichten en dat voor een zodanige verminderde toerekeningsvatbaarheid dat dit zou moeten leiden tot het opleggen van een lichtere maatregel onvoldoende aanleiding was.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en M.T. Boerlage en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2017.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD