Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
16/4202 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot heroverweging waardering functie. Vaste rechtspraak. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de korpschef in redelijkheid had behoren te besluiten tot een hernieuwde waardering van haar functie. Rechtspraak over duuraanspraken hier niet aan de orde. Beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4202 AW

Datum uitspraak: 13 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 mei 2016, 15/3769 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2017. Namens appellante is verschenen mr. De Klein. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. Vierboom en L.M. van den Hil.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam in de voormalige politieregio [regio] , thans regionale eenheid [eenheid] . Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellante voor haar toekomstige functie in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) bepaald op [naam functie en schaal]. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellante besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie medewerker [naam functie en schaal] Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Op 21 oktober 2014 heeft appellante bij de korpschef op grond van artikel 7 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) een verzoek ingediend tot herwaardering van de haar in de periode van 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie van [naam functie en schaal].

1.4.

Bij besluit van 15 december 2014 heeft de korpschef het verzoek van appellante afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat er, sinds 8 augustus 2009, toen appellante op de functie [naam functie en schaal] is geplaatst, geen veranderingen hebben plaatsgevonden die maken dat de functie dient te worden hergewaardeerd. Bij besluit van 8 mei 2015 (bestreden besluit) heeft de korpschef dit standpunt gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen functieonderhoud heeft aangevraagd en zij ook niet gesteld heeft dat haar functie zwaarder is geworden. Daarnaast heeft appellante geen bezwaar gemaakt tegen het besluit waarin haar uitgangspositie is bepaald. In die situatie ligt het volgens de rechtbank op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat sprake is van feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot herwaardering van haar functie. Dit heeft appellante niet gedaan, zodat de korpschef niet ten onrechte heeft geweigerd gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het herwaarderen van de functie.

3. Appellante heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Bbp, zoals dat luidde ten tijde hier in geding, kan de ambtenaar die zich niet kan verenigen met de waardering van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Bbp, het bevoegd gezag verzoeken deze waardering in heroverweging te nemen.

4.2.

Op grond van vaste rechtspraak (uitspraak van 13 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4685) betreft de functiewaardering een zelfstandig besluit, te onderscheiden van functiebeschrijving en functieonderhoud. Bij de waardering geldt als uitgangspunt niet de feitelijk verrichte werkzaamheden, maar de werkzaamheden zoals die blijken uit de vastgestelde functiebeschrijving (uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4197). In dit geval betreft dat de voor appellante vastgestelde functie van [naam functie en schaal].

4.3.

Uit eveneens vaste rechtspraak (uitspraken van 3 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7653, en van 29 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2926) blijkt dat politieambtenaren te allen tijde een verzoek om heroverweging kunnen doen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bbp, waarna het aan de korpschef is om te beoordelen of aan een dergelijk verzoek gevolg zal worden gegeven. Een dergelijk verzoek is gericht op het opnieuw, op basis van de actuele situatie, verrichten van een functiewaarderingsonderzoek en betreft als zodanig ook in beginsel slechts een heroverweging van de functiewaardering vanaf het moment van het verzoek, dus voor de toekomst.

4.4.

Uit de onder 4.3 aangehaalde rechtspraak volgt dat er voldoende reden moet zijn om een verzoek tot heroverweging inhoudelijk te behandelen. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is er geen aanleiding om aan te nemen dat dit uitgangspunt niet meer geldt met de wijziging van artikel 7, eerste lid, van het Bbp per 8 februari 2012 (met terugwerkende kracht tot 31 december 2009). Immers, de omstandigheid dat de ambtenaar het bevoegd gezag op grond van artikel 7 van het Bbp kan verzoeken om de waardering van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie in heroverweging te nemen, maakt nog niet dat het bevoegd gezag hiertoe ook gehouden is.

4.5.

In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de korpschef in redelijkheid had behoren te besluiten tot een hernieuwde waardering van haar functie. Uitgegaan dient te worden van de voor haar vastgestelde functiebeschrijving van [naam functie en schaal] en bijbehorende takenmatrix. Deze functie is in 2004 gewaardeerd op schaal 6 en nadien niet meer gewijzigd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van verzwarende omstandigheden die niet tot uiting zijn te brengen in de functiebeschrijving, maar die niettemin van invloed kunnen zijn op de zwaarte van de functie en om die reden aanleiding geven tot een aangepaste waardering. Ook zijn er, anders dan appellante heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de functiewaardering van destijds gebreken vertoont die tot een hernieuwde, voor de toekomst geldende waardering noopten. Uit de ‘Onderbouwing schaalindeling Functies Proces Intake, Service & Ondersteuning’ blijkt voldoende met welke referentiefuncties van het referentiemateriaal Nederlandse Politie de functie van [naam functie en schaal] is vergeleken en tot welke uitkomst dit heeft geleid. De functie [naam functie en schaal]

is wat betreft inhoud en zwaarte vergelijkbaar geacht met de functie van Voorman (schaal 6) uit het referentiemateriaal. De stelling dat de functie ten onrechte niet zou zijn vergeleken met een schaal 7 functie, maakt dit niet anders.

4.6.

Appellante heeft (subsidiair) een beroep gedaan op vaste rechtspraak over duuraanspraken en betoogd dat dit leerstuk op haar aanvraag moet worden toegepast. Dit betoog faalt, omdat het in het onderhavige geval niet gaat om een verzoek om terug te komen van een eerder besluit, maar om een verzoek tot heroverweging van de functiewaardering. Zoals onder 4.3 is uiteengezet, is een verzoek om heroverweging gericht op het opnieuw, op basis van de actuele situatie, verrichten van een functiewaarderingsonderzoek. Daarbij gaat het in beginsel slechts om een heroverweging van de functiewaardering vanaf het moment van het verzoek en dus voor de toekomst.

4.7.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt. Appellante heeft niet aan de hand van voldoende concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van, op de rechtens relevante aspecten, gelijke gevallen. De verwijzing naar een viertal zaken van collega’s is daartoe onvoldoende. Uit de ter onderbouwing overgelegde besluiten inzake deze collega’s blijkt niet dat de korpschef in die zaken wel is overgegaan tot een inhoudelijke functiewaarderingsprocedure, zonder dat daar inhoudelijke redenen aan ten grondslag zijn gelegd. Uit de overgelegde besluiten blijkt alleen dat de verzoeken inhoudelijk in behandeling zijn genomen.

4.8.

Geconcludeerd wordt dan ook dat de korpschef in redelijkheid het verzoek van appellante tot heroverweging van de functiewaardering heeft kunnen afwijzen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J. Tuit

HD