Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
16/5187 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikken over middelen in periode van (nog) geen bijstand. Niet voldaan aan eisen om stortingen als leningen aan te merken. Afspraken ten tijde van betalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5187 PW

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

30 juni 2016, 16/1315 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.S. Sitaram.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 6 juli 2015 heeft appellante zich gemeld om bijstand op grond van de Participatiewet aan te vragen. Uit de door appellante overgelegde bankafschriften is gebleken dat zij op

11 juli 2015 een bedrag van € 200,- heeft ontvangen van [A.] (A), dat zij op 15 juli 2015 een bedrag van € 155,- en op 18 augustus 2015 een bedrag van € 575,- heeft gestort op haar rekening. Hierover heeft appellante verklaard dat de door haar gestorte bedragen leningen van haar ouders betreffen.

1.2.

Bij besluit van 22 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit), heeft het college appellante met ingang van 6 juli 2015 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de in 1.1 genoemde bedragen van in totaal € 930,- aangemerkt als inkomen en op de bijstand in mindering gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan.

4.2.

Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Zie de uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872. Daartoe dient de betrokkene aannemelijk te maken dat er geen ander inkomen is en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is. Een bankoverschrijving met de vermelding “lening voor levensonderhoud” zal daartoe in beginsel volstaan. Voorts moet daarbij de identiteit van de crediteur vaststaan. Zie de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188.

4.3.

In geding is of de in 1.1 genoemde door appellante ontvangen bedragen van A en haar ouders voor in totaal € 930,- zijn aan te merken als leningen in de in 4.2 bedoelde zin.

4.4.

Appellante heeft niet duidelijk gemaakt op welke datum en tot welk bedrag zij van A en haar ouders gelden heeft geleend of gelden heeft ontvangen om in haar levensonderhoud te voorzien en evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat bij het aangaan van de gestelde leningen, en niet later, de afspraak is gemaakt dat die terugbetaald moeten worden.

4.4.1.

Appellante heeft een “Verklaring Lening” overgelegd van 15 augustus 2015, waarin staat dat appellante € 1.400,- heeft geleend van A en dat appellante het gehele bedrag in één keer zal aflossen op moment dat haar uitkering is toegekend en uiterlijk op 1 september 2015. Onduidelijk is gebleven hoe het totaalbedrag van € 1.400,- is opgebouwd en of de maandelijkse van A afkomstige bedragen van € 200,- behoren bij het totaalbedrag van

€ 1.400,-. Bij de overmaking van het bedrag van € 200,- op 11 juli 2015 is niet vermeld dat het om een lening voor levensonderhoud gaat. Appellante heeft de beweerdelijke lening niet binnen de gestelde termijn afgelost. Aan de in 4.2 vermelde vereisten is met betrekking tot het bedrag van € 200,- daarom niet voldaan.

4.4.2.

In de ongedateerde “Verklaring Leningen” van de ouders van appellante staat dat zij appellante een totaal bedrag van € 1.550,- hebben geleend. Onduidelijk is gebleven wanneer appellante welke bedragen heeft ontvangen, aangezien bankoverschrijvingen ontbreken. Er is uitsluitend sprake van twee stortingen op eigen rekening. Dat, zoals appellante stelt, sprake is van een terugbetalingsverplichting omdat zij inmiddels is begonnen met het afbetalen, kan niet worden gevolgd, nu ten tijde van de betaling geen concrete afspraken zijn gemaakt wanneer de geldbedragen terugbetaald dienen te worden. Ook voor de bedragen van € 155,- en € 575,- geldt dat niet aan de in 4.2 vermelde vereisten is voldaan.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente bestaat daarom geen grond, zodat het verzoek om veroordeling daartoe dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.L. Boxum en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD