Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
16/3058 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging AOI-aanvulling i.v.m. toepassen kostendelersnorm. Beroep op discriminatie t.o.v. mensen met een volledige AOW slaagt niet. Geen ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3058 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 april 2016, 15/8359 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 27 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1944, ontving vanaf [datum] 2009, wegens een onvolledig ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling), laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Bij besluit van 8 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellante met ingang van [datum] 2015 beëindigd. Aan deze besluitvorming ligt het ten grondslag dat appellante per [datum] 2015 met toepassing van de in artikel 22a van de PW opgenomen kostendelersnorm geen recht meer heeft op een AIO-aanvulling. Appellante verblijft met haar zoon, schoondochter en kleinkinderen in dezelfde woning. Omdat appellante de woning deelt met twee kosten delende medebewoners wordt de norm overeenkomstig artikel 22a van de PW en met inachtneming van het toepasselijke overgangsrecht per [datum] 2015 verlaagd. Omdat haar inkomen deze norm overschrijdt, heeft zij geen recht meer op een AIO-uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand (WWB) en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid:

((40% + A × 30%) / A) × B

Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.1.2.

Aan de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 t/m 8) ontleent de Raad dat de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm heeft beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Met de invoering van de kostendelersnorm heeft de wetgever rekening willen houden met de schaalvoordelen, die groter zijn naarmate er meer kosten delende medebewoners zijn. De wetgever heeft dit rechtstreeks in de toepasselijke bijstandsnorm tot uitdrukking willen laten komen. Door invoering van de kostendelersnorm blijft volgens de wetgever de vangnetfunctie van de bijstand gewaarborgd, blijft een individueel recht op bijstand behouden, blijft het lonend om te werken en wordt een bijdrage geleverd om de schatkist van de overheid op orde te brengen.

4.1.3.

Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.2.

Appellante heeft betoogd dat de kostendelersnorm in haar geval, gelet op haar medische situatie en de omstandigheid dat haar zoon en schoondochter haar noodzakelijke zorg verlenen, niet mag worden toegepast. Deze beroepsgrond slaagt niet. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die een woning delen met een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). Daarbij is bovendien van belang dat appellante een persoonsgebonden budget ontvangt ter voorziening in de kosten van de voor haar noodzakelijk geachte zorg.

4.3.

Appellante heeft een beroep gedaan op het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.3.1.

Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat personen die wel een volledige AOW ontvangen vooralsnog niet onder de kostendelersnorm vallen terwijl appellante, aangewezen op een AIO-aanvulling op haar onvolledige AOW-uitkering, daar wel onder valt.

4.3.2.

Zoals de Raad in de uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1254, heeft overwogen, is in het kader van artikel 14 van het EVRM niet elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij is erop gewezen dat de wetgever op het gebied van de sociale zekerheid een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

4.3.3.

Tevens heeft de Raad in de in 4.3.2 genoemde uitspraak geoordeeld dat in het geval van de PW en de AOW niet gesproken kan worden van ongelijke behandeling van gelijke gevallen omdat sprake is van wetten met verschillende doelstellingen. In die zin is van belang dat de PW een voorziening is en de AOW een volksverzekering. Daarnaast is overwogen dat het in beginsel aan de wetgever is om algemene en individuele belangen tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan een regeling in het leven te roepen. In dit verband is van belang geacht dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de PW blijkt dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de kostendelersnorm gelijktijdig in de PW en de AOW zou worden ingevoerd. De kostendelersnorm is evenwel door het aannemen van een amendement van

5 februari 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 32) uit de AOW gehouden. Daarvoor achtte de wetgever redengevend dat een fundamenteel onderscheid moet worden gemaakt tussen een voorziening (WWB) en een volksverzekering (AOW).

4.3.4.

Gelet op 4.3.2 en 4.3.3 slaagt het beroep van appellante op het discriminatieverbod niet.

4.4.

Uit 4.1.1 tot en met 4.3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Ook volgt daaruit dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en G.M.G. Hink en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD