Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
15/7276 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken na opschorten. Opschorting staat in rechte vast. Niet ontvangen opschorting kan niet aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7276 WWB

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 september 2015, 15/1087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

De Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Namens appellant is

mr. Moghni verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote ontvingen ten tijde van belang op hun ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

Bij besluit van 30 september 2014 (opschortingsbesluit) heeft de Svb het recht op de AIO-aanvulling opgeschort op de grond dat appellant niet heeft gereageerd op de brieven van 12 juni 2014 en 29 juli 2014. Appellant is in de gelegenheid gesteld om de daarin gevraagde informatie voor 28 oktober 2014 op te sturen.

1.3.

Bij besluit van 13 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 januari 2015 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van 30 september 2014 ingetrokken. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gereageerd op het verzoek om de in het opschortingsbesluit gevraagde informatie te verstrekken.

1.4.

. Bij besluit van 24 juli 2015 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het opschortingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar niet tijdig is ingediend.

1.5.

Bij uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2016, 15/5700, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 juli 2015 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de Svb aannemelijk heeft gemaakt dat het opschortingsbesluit is gecontroleerd, ondertekend, in het postvak gelegd, door de postkamer opgehaald en vervolgens aan PostNL ter verzending aangeboden. De Svb heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat het opschortingsbesluit naar het adres van appellant is verzonden. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de in 1.5 genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2016, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 30 september 2014 op grond van artikel 54, vierde lid, van de Wet werk en bijstand in rechte stand kan houden.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens heeft verstrekt omdat hij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen. Appellant stelt zich op het standpunt dat geen sprake was van een deugdelijke verzendadministratie bij de Svb.

4.3.

Met het onherroepelijk worden van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 september 2016 staat het opschortingsbesluit van 30 september 2014 in rechte vast. Wat appellant over de verzending van het opschortingsbesluit en de verzendadministratie van de Svb heeft aangevoerd, kan daarom niet meer aan de orde komen. Het opnieuw beoordelen zou in strijd komen met het algemeen rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet nogmaals aan de rechter kan worden voorgelegd.

4.4.

Uit 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) M. Hillen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD