Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
16/4034 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging beleid over berekening woonkostentoeslag. Op juiste wijze bekendgemaakt. Geen schending rechtszekerheid. Vergoeding kosten bezwaar bij afzien terugvordering op grond van inherente afwijkingsbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4034 PW

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

10 mei 2016, 15/4415 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Wellen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Namens appellante is verschenen mr. Wellen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.A. van Wingerden.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving van 18 april 1996 tot 29 maart 2015 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), in aanvulling op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. Vanaf 29 maart 2015 ontvangt appellante een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

1.2.

Op 11 februari 2015 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor - onder meer - woonkosten.

1.3.

Bij besluit van 17 april 2015 heeft het college aan appellante over de periode van

1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 een woonkostentoeslag toegekend van € 169,52 per maand. Bij besluit van 7 mei 2015 heeft het college dit besluit herzien, de woonkostentoeslag voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 vastgesteld op € 39,19 per maand en de te veel verstrekte bijstand over de periode van

1 januari 2015 tot 1 mei 2015 tot een bedrag van € 521,32 van haar teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 10 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft, gebruikmakend van de inherente afwijkingsbevoegdheid, afgezien van terugvordering van het bedrag van € 521,32.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Woonkostentoeslag

4.1.

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.

Het college hanteerde tot 1 januari 2015 het beleid dat bij de berekening van de woonkostentoeslag in geval van een koopwoning onder meer rekening werd gehouden met de kosten van groot onderhoud. Met de Beleidsregels Inkomensondersteuning Participatiewet 2015 (beleidsregels), welke op 1 januari 2015 in werking zijn getreden, heeft het college het beleid gewijzigd in die zin dat de kosten van groot onderhoud niet langer bij de berekening van de woonkostentoeslag in aanmerking worden genomen.

4.3.

Niet in geschil is dat de berekening van het college in overeenstemming is met het per

1 januari 2015 geldende beleid. In hoger beroep spitst het geschil zich in de eerste plaats toe op de vraag of het college de wijziging van het beleid op juiste wijze bekend heeft gemaakt. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat de intrekking van het besluit van 17 april 2015

- en daarmee de vaststelling van de woonkostentoeslag op een lager bedrag - in strijd is met de (materiële) rechtszekerheid.

4.4.

Anders dan appellante heeft betoogd, heeft het college de beleidsregels op juiste wijze bekend gemaakt. Reeds op 30 oktober 2014 is het collegebesluit van 16 september 2014, inhoudende de wijziging van de beleidsregels, in het gemeenteblad gepubliceerd. Eveneens zijn de beleidsregels vermeld op de website van de gemeente Nijmegen en gepubliceerd in het huis-aan-huis-blad van de gemeente.

4.5.

In hoger beroep heeft appellante erkend dat het college bevoegd was tot wijziging van de beleidsregels over te gaan. Ter onderbouwing van haar stelling dat de intrekking van het besluit van 17 april 2015 in strijd is met de (materiële) rechtszekerheid heeft appellante verwezen naar de uitspraak van de Raad van 22 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4831). Deze stelling houdt geen stand. Niet alleen is - anders dan in die uitspraak - in het onderhavige geval geen sprake van intrekking en terugvordering van bijstand die ten tijde van de betaling rechtmatig was ontvangen, maar bovendien wordt appellante feitelijk eerst vanaf 1 mei 2015 geconfronteerd met de verlaging van de woonkostentoeslag. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

Kosten bezwaar

4.6.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.7.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed voor zover het besluit waartegen bezwaar is ingesteld wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:777) volgt dat van herroepen slechts sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg.

4.8.

Bij het bestreden besluit heeft het college, met gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegheid, afgezien van de terugvordering. Dit betekent dat het primaire besluit is gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg. Hiermee is in beginsel gegeven dat het niet gehandhaafde besluit onrechtmatig is. Tevens is de onrechtmatigheid niet aan appellante, maar aan het college te wijten. Gelet hierop heeft het college het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, ten onrechte afgewezen.

4.9.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep, voor zover dit ziet op de vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb vernietigen voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen en bepalen dat de vergoeding voor de kosten van bezwaar wordt vastgesteld op € 990,-.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 juli 2015 voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de

kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen;

- bepaalt dat de vergoeding voor de kosten van bezwaar wordt vastgesteld op € 990,-;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) M. Hillen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD