Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2359

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
16/3367 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet wonen op opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3367 PW

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

28 april 2016, 15/2652 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Hollman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Namens appellant is verschenen mr. R.M.M. Menting, kantoorgenoot van mr. Hollman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Keus.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 27 maart 2015 gemeld om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aan te vragen. Op 13 april 2015 heeft hij een aanvraag om bijstand ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant als verblijfadres [Adres A] te [woonplaats] vermeld (opgegeven adres). Appellant staat in de basisregistratie personen sinds 4 november 2014 ingeschreven op het opgegeven adres. Dit betreft een pension-/kamerverhuuradres.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft de sociale recherche van de gemeente Venlo een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. Aanleiding voor dit onderzoek was de door appellant in kader van de aanvraag overgelegde correspondentie, welke was gericht aan het adres [Adres B] te [woonplaats], zijnde het adres van zijn ex-echtgenote. In het kader van het onderzoek heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht en appellant op 18 mei 2015 op kantoor gehoord. Tijdens dit gesprek heeft appellant verklaard dat hij de kamer met nummer acht of negen op het opgegeven adres huurt, dat hij op deze kamer slaapt met een andere persoon, dat hij € 150,- huur per maand betaalt en dat hij drie dagen per week op dit adres slaapt. De overige nachten verblijft hij bij zijn ouders, vrienden of broer. Hij heeft voorts verklaard de was op zijn adres te doen, maar niet te weten of er één of meer wasmachines in het gebouw aanwezig zijn, terwijl hij later in het gesprek heeft verklaard de was bij zijn ouders te doen. Tot slot heeft hij verklaard dat naast zijn bed een stoffen tas met fruit staat. Aansluitend aan dit gesprek heeft de sociale recherche een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. Tijdens dit huisbezoek heeft appellant - in afwijking van zijn op kantoor afgelegde verklaring - kamer twee getoond, met daarin een eenpersoonsbed, een tafel, twee stoelen en een kast. In de kast hingen enkel een jas en een broek. Daarnaast heeft de sociale recherche twee brieven gevonden. Op het nachtkastje werden enkele flesjes parfum, een tube tandpasta en een tandenborstel aangetroffen. Appellant kon geen handdoeken, schoenen, ondergoed en sokken tonen. Ook was geen wasgoed aanwezig. De stoffen tas met fruit werd evenmin aangetroffen. Appellant heeft vervolgens verklaard dat het fruit bij zijn ouders ligt. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een Rapportage Bijzonder Onderzoek van 19 mei 2015.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

8 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 augustus 2015 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant af te wijzen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 27 maart 2015, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 8 juni 2015, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

De bevindingen van het huisbezoek, in samenhang met de door appellant op 18 mei 2015 afgelegde verklaring, bieden - anders dan appellant heeft betoogd - een toereikende grondslag voor het bestreden besluit. Hierbij is van belang dat appellant tijdens het gehoor op

18 mei 2015 heeft verklaard kamer acht of negen te huren, maar tijdens het huisbezoek kamer twee heeft getoond en tevens dat bij dit huisbezoek vrijwel geen kleding, schoenen, badtextiel, etenswaren en persoonlijke verzorgingsartikelen - met uitzondering van een tandenborstel en tandpasta - zijn aangetroffen. Dat appellant, naar hij heeft gesteld, recent voor het huisbezoek (intern) was verhuisd en per abuis het verkeerde kamernummer heeft genoemd is niet geloofwaardig. Het betoog van appellant dat het ontbreken van kleding, doucheproducten en etenswaren het gevolg is van zijn financiële situatie is niet afdoende om de afwezigheid van deze goederen kunnen verklaren. Tot slot is van belang dat appellant wisselend heeft verklaard over de aanwezigheid van de stoffen tas met fruit en tevens over waar hij zijn was doet.

4.5.

Gelet op de in 4.2 vermelde bewijslast in geval van aanvragen om bijstand en de

onder 4.4 genoemde feiten en omstandigheden, treft de beroepsgrond dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht geen doel. Het lag op de weg van appellant om duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-/verblijfplaats. De enkele stelling van appellant dat hij drie of vier nachten per week op het opgegeven adres verbleef, gemiddeld twee dagen bij zijn ouders en de overige dagen bij vrienden of bij zijn broer was, is hiertoe niet toereikend.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant bij zijn aanvraag om bijstand niet de nodige duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonsituatie. Daarmee heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag om bijstand daarom terecht afgewezen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) M. Hillen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD