Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
16/6003 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gelaten. Geen bankgegevens verstrekt en geen financiële gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6003 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 september 2016, 16/68 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 11 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C. Gordijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Namens appellant is

mr. Gordijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 6 oktober 2015 gemeld voor het doen van een aanvraag op grond van de Participatiewet (PW) en deze aanvraag op 21 oktober 2015 ingediend. Appellant stond van 28 november 2012 tot 19 mei 2015 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als eigenaar van een eenmanszaak (markthandel).

1.2.

Bij brief van 21 oktober 2015 heeft het college appellant uitgenodigd voor een afspraak op 29 oktober 2015 en gevraagd onder andere een schriftelijk bewijs van de opheffing van de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] (de bankrekening) mee te nemen en, indien deze niet is opgeheven, een print met het saldo en de boekingen van de laatste drie weken en gegevens over zijn financiële positie bij de bedrijfsbeëindiging, zoals een liquidatiebalans of aanslagen van de belastingdienst waarop zijn omzet is vermeld, over te leggen.

1.3.

Appellant is op 29 oktober 2015 gekomen en heeft te kennen gegeven dat de bankrekening is opgeheven en dat de bank daarover geen gegevens kon dan wel wilde verstrekken. Hij kon evenmin gegevens van de Belastingdienst overhandigen.

1.4.

Bij besluit van 29 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen informatie over de bankrekening en geen financiële gegevens over de bedrijfsbeëindiging heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat sprake is van een overmachtsituatie. Hij is al geruime tijd dakloos. Daklozen hebben vaak geen administratie meer. Hij heeft de bank om gegevens over de bankrekening verzocht, maar die heeft de gegevens niet kunnen verstrekken. Verder beschikt de Belastingdienst niet over de financiële gegevens van zijn bedrijf. Gegevens die er niet zijn, kan hij niet opvragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat de gegevens waar het college om heeft verzocht voor de beslissing op de aanvraag nodig waren ten behoeve van een goede beoordeling van de financiële positie van appellant. Evenmin is in geschil dat appellant de gevraagde gegevens over de bankrekening en over zijn financiële positie bij de bedrijfsbeëindiging niet heeft verstrekt.

4.3.

Appellant moet, anders dan hij stelt, redelijkerwijs in staat zijn geweest om over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig over te leggen. Appellant stelt dat de bankrekening is opgeheven en dat de bank geen informatie hierover heeft kunnen verstrekken, maar hij heeft deze stelling niet onderbouwd met een verklaring van de bank waaruit dit blijkt. Dit geldt eveneens voor zijn stelling dat de Belastingdienst niet over financiële gegevens van zijn bedrijf beschikt.

4.4.

Gelet op wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

(getekend) M. Hillen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD