Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
16/5076 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte intrekking en terugvordering bijstand. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat zij opgave heeft gedaan van werkzaamheden echtgenoot. Gelet op verordening college heeft zij inkomsten "onverwijld" gemeld. Terugvorderingsgrondslag "anderszins" heeft college niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5076 PW, 16/8104 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

30 juni 2016, 15/6612 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.J. Hopmans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft op 14 november 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en nadien nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hopmans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. van Heeswijk.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het college in de gelegenheid te stellen een verklaring van klantmanager I. Fraterman (klantmanager) over te leggen.

Bij brief van 15 maart 2017 heeft het college een nader stuk overgelegd.
Bij brief van 18 april 2017 heeft appellante op dat nadere stuk gereageerd.

Desgevraagd heeft het college bij brief van 10 mei 2017 gereageerd op de brief van appellante van 18 april 2017. Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 16 mei 2017.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante en haar toenmalige echtgenoot ontvangen sinds 9 april 2014 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. De bijstand werd afzonderlijk betaald, ieder van de partners ontving 50% van de gehuwdennorm op de eigen bankrekening. Op 1 augustus 2014 is de echtscheiding uitgesproken en op

12 september 2014 is appellante verhuisd naar de gemeente [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van de melding van appellante dat haar ex-echtgenoot activiteiten ontplooit waaruit hij inkomsten genereert heeft de intergemeentelijke sociale recherche Gelderland-Zuid (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en haar ex-echtgenoot verleende bijstand. In dat kader hebben sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek verricht, internet geraadpleegd en appellante en haar ex-echtgenoot gehoord. De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche zijn (verkort) weergegeven in een rapport van 1 april 2015.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

16 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 9 april 2014 tot en met 11 september 2014 in te trekken. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante en haar ex-echtgenoot niet hebben voldaan aan de op hen rustende inlichtingenverplichting van artikel 17 van de Participatiewet (PW) door geen, dan wel achteraf, melding te maken van de activiteiten van de ex-echtgenoot. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de periode van 9 april 2014 tot en met

11 september 2014 samen met haar (ex)echtgenoot recht op bijstand zou hebben gehad. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan. Gelet op de dreigende situatie waarin zij zich bevond, waaronder fysieke gewelddadigheden, heeft zij onverwijld melding gemaakt van de activiteiten van haar ex-echtgenoot. Daarnaast kan gelet op de specifieke situatie niet meer gesproken worden van gezinsbijstand, de uitkering werd aan ieder voor de helft uitgekeerd. Appellante had in de te beoordelen periode geen inkomsten zodat het recht op bijstand kan worden vastgesteld. De activiteiten van de ex-echtgenoot betroffen verder niet meer dan familiaire hulp aan de dochter en hij heeft daaruit geen inkomsten ontvangen.

3.1.

Bij besluit van 14 november 2016 (nader besluit) heeft het college het bestreden besluit herzien in die zin dat het college de periode van intrekking heeft beperkt tot de periode van

1 augustus 2014 tot en met 11 september 2014.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.4.

De gestelde situatie waarin appellante zich bevond na haar scheiding op 1 augustus 2014 betekent, anders dan appellante betoogt, niet dat geen sprake meer was van gezinsbijstand. Appellante verbleef tot haar verhuizing naar [woonplaats] in de gezamenlijke woning in [plaatsnaam] waar tevens haar ex-echtgenoot verbleef. Zoals het college terecht heeft gesteld, wordt daarom op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW aangenomen dat appellante en haar ex-echtgenoot na de scheiding een gezamenlijke huishouding voerden, zodat zij op grond van artikel 4, tweede lid, van de PW als gehuwd worden aangemerkt. De omstandigheid dat de helft van de bijstand op de rekening van appellante werd overgemaakt en de andere helft op de bankrekening van haar ex-echtgenoot betekent niet dat de uitkering geen gezinsuitkering was. Gelet hierop bestond er voor appellante ook na 1 augustus 2014 nog de verplichting de activiteiten van haar ex-echtgenoot aan het college te melden.

4.5.

Het geschil spitst zich verder toe op de vraag op welk moment appellante melding heeft gemaakt van de activiteiten van haar ex-echtgenoot. In hoger beroep heeft appellante daarover verklaard dat zij al in augustus 2014, in een gesprek met haar klantmanager in het bijzijn van haar maatschappelijk werker, het college heeft ingelicht over de activiteiten van haar

ex-echtgenoot en dat zij nadien daar niet meer met het college over heeft gesproken. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante stukken uit haar dossier van het NIM Maatschappelijk Werk (NIM) overgelegd. Hierin is vermeld dat appellante en een maatschappelijk werker van het NIM op 27 augustus 2014 met de klantmanager hebben gesproken. Tijdens dat gesprek heeft appellante verteld dat zij bewijsstukken heeft die aantonen dat haar ex-echtgenoot veel werkt en dat zij dat met e-mails en papieren kan bewijzen. Het college heeft meegedeeld dat de klantmanager zich een gesprek eind augustus 2014 niet meer kan herinneren. Wel heeft de klantmanager in haar agenda op 27 augustus 2014 om 14.00 uur een afspraak met appellante en ene Stijn van het NIM staan, maar in de rapportages valt daarover niets meer terug te lezen. Het college gaat er dan ook van uit dat appellante tijdens het gesprek op 27 augustus 2014 de activiteiten van haar ex-echtgenoot niet gemeld heeft en dat de intrekking van bijstand nog altijd correct is.

4.6.

Gelet op de gedetailleerde, met documenten onderbouwde verklaring van appellante, heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij op 27 augustus 2014 samen met een maatschappelijk werker van het NIM een gesprek met een medewerker van de gemeente heeft gehad en de activiteiten van haar ex-echtgenoot bij dat gesprek heeft gemeld. De verklaring van de maatschappelijk werker van het NIM is weliswaar allereerst een weergave van het gesprek tussen appellante en de maatschappelijk werker, maar geeft daarna weer wat appellante in het gesprek met het college heeft verklaard. De mededeling van het college dat over het gesprek in de rapportages niets is terug te lezen en dat het gesprek mogelijk niet door is gegaan omdat eerder een gesprek met appellante en haar ex-echtgenoot tezamen geweigerd was, is onvoldoende om niet van de verklaring van de maatschappelijk werker uit te gaan.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat appellante in de periode van 27 augustus 2014 tot en met

11 september 2014 in ieder geval de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden tegengeworpen. Ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting in de periode 1 augustus 2014 tot 27 augustus 2014 overweegt de Raad als volgt.

4.8.

Uit artikel 17 van de Afstemmingsverordening WWB/IOAW/IOAZ/Bbz gemeente [plaatsnaam] 2013, die ten tijde van belang gold, volgt, voor zover hier van belang, dat bij toepassing van artikel 17 van de WWB als onverwijld wordt verstaan: bij het eerste rechtmatigheidsonderzoeksformulier of, indien dit niet van toepassing is, vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel de omstandigheid als bedoeld in deze artikelen zich heeft voorgedaan. Het college hanteerde ten tijde van belang geen rechtmatigheidsonderzoeksformulieren.

4.9.

Uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat de ex-echtgenoot in de periode van 1 augustus 2014 tot 27 augustus 2014 hun dochter heeft geholpen met een beurs voor scrap-artikelen in Zwolle, dat plaatsvond van 21 augustus 2014 tot en met 23 augustus 2014. Gelet op 4.8 heeft appellante, door vóór 1 september 2014 melding te maken van de activiteiten van haar

ex-echtgenoot, onverwijld van de activiteiten melding gemaakt, zodat appellante ook in de periode 1 augustus 2014 tot 27 augustus 2014 de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden.

4.10.

Uit 4.7 en 4.9 volgt dat het college de bijstand van appellante ten onrechte op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW heeft ingetrokken over de periode van

1 augustus 2014 tot en met 11 september 2014. Dat de intrekking van bijstand over die periode nog wel mogelijk zou zijn op grond van de laatste volzin van artikel 54, derde lid, van de PW, zoals het college in zijn reactie in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt niet gevolgd. Het college heeft niet onderbouwd dat de bijstand anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, terwijl die bewijslast gelet op 4.2 op het college rust.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat het hoger beroep en het beroep tegen het nader besluit slagen. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 16 april 2015 te herroepen, aangezien aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en het nader besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. Het beroep tegen het nader besluit zal gegrond worden verklaard en het nader besluit zal worden vernietigd.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 oktober 2015;

- herroept het besluit van 16 april 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 14 november 2016;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 november 2016 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) L.V. van Donk

HD