Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2351

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
16/557 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) over de belastbaarheid van appellante per 16 februari 2015. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Onvoldoende aanknopingspunten voor oordeel dat appellante meer beperkt is dan weergegeven in FML van 29 december 2014. Evenals de rechtbank zijn de functies terecht als voor haar passend aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/557 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 december 2015, 15/5709 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Schmidt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere (medische) stukken ingediend, waarop het Uwv met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/6467 WIA, plaatsgevonden op

24 mei 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Schmidt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär. Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elk van deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als receptioniste/telefoniste voor 20 uur per week. Zij heeft zich met ingang van 18 februari 2013 ziek gemeld met lichamelijke klachten veroorzaakt door een schildklieraandoening. Daarnaast is sprake van allergie- en psychische klachten. Op 13 november 2014 heeft appellante een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Bij besluit van 7 januari 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 16 februari 2015 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts van 29 december 2014 en van een arbeidsdeskundige van 31 december 2014, waarin het standpunt is ingenomen dat appellante beperkingen heeft als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek en dat zij met de functies productiemedewerker, productiemedewerker textiel en samensteller kunststof- en rubberindustrie ten minste 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.

1.3.

In bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2015 heeft appellante, onder overlegging van informatie van haar dermatoloog en apotheek, waaronder een medicatieoverzicht, aangevoerd dat haar allergieën niet goed in kaart zijn gebracht. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen omdat daarin haar belastbaarheid wordt overschreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 15 juni 2015 geconcludeerd dat wat appellante in bezwaar heeft aangevoerd, mede gelet op de in bezwaar verkregen informatie van de behandelend endocrinoloog en allergoloog, geen aanleiding geeft om het standpunt van appellante dat haar beperkingen zijn onderschat, te volgen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 juni 2015 geconcludeerd dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies passend zijn en daarbij de aanwezige signaleringen nader toegelicht. Bij besluit van 25 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante per 16 februari 2015. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellante op de spreekuren van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebreid aan het woord is geweest en dat informatie van de behandelend sector bij de oordeelsvorming van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken is. De rechtbank heeft geen aanwijzingen gezien dat de artsen van het Uwv de klachten van appellante niet serieus genoeg hebben onderzocht; aan alle klachten is aandacht besteed. Uitgaande van dit zorgvuldig onderzoek heeft de rechtbank geen reden gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 december 2014. Er is een scala aan beperkingen opgenomen in de FML, zowel in persoonlijk en sociaal functioneren als in de rubrieken die meer zien op de lichamelijke beperkingen. Door het aannemen van een medische urenbeperking is rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellante. Appellante heeft haar standpunt dat zij meer beperkt is dan door de artsen van het Uwv aangenomen volgens de rechtbank niet met objectiveerbare gegevens onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat in de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep 23 juni 2015 en 17 november 2015 afdoende is gemotiveerd dat de voor de schatting geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar functionele mogelijkheden veel beperkter zijn dan de artsen van het Uwv hebben aangenomen en dat zij wegens deze beperkingen niet in staat is de passend geachte functies te vervullen. Appellante voelt zich in haar standpunt ondersteund door in hoger beroep ingediende informatie van de behandelend sector.

3.2.

In verweer heeft het Uwv met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 juli 2016 betoogd dat de door appellante in hoger beroep aangeleverde stukken geen nieuwe bevindingen laten zien in relatie tot de periode rond de datum in geding. Verzocht is de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante per 16 februari 2015. De door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die kunnen dienen ter onderbouwing van de door haar staande gehouden eigen opvatting over haar beperkingen en haar belastbaarheid. Met juistheid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 juli 2016 overwogen dat de door appellante in hoger beroep ingebrachte brieven van haar behandelend artsen geen nieuwe informatie verschaffen in vergelijking met de eerder ingebrachte informatie. Deze informatie is zowel door de verzekeringsarts als door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling betrokken en heeft geen aanleiding gegeven tot een ander oordeel over de beperkingen van appellante.

4.2.

Nu appellante haar stelling dat zij meer beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid dan het Uwv heeft aangenomen in hoger beroep niet met nieuwe, op de datum in geding betrekking hebbende, medische gegevens heeft onderbouwd, bestaan er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante meer beperkt is dan weergegeven in de FML van 29 december 2014.

4.3.

De Raad onderschrijft, onder verwijzing naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 juni 2015 en 17 november 2015 – in combinatie met de in de Resultaat functiebeoordeling van 5 januari 2015 gegeven toelichtingen – tevens het oordeel van de rechtbank dat, gegeven de juistheid van de voor appellante van toepassing zijnde beperkingen de aan de schatting ten grondslag gelegde functies terecht als voor haar passend zijn aangemerkt.

4.4.

Ter zitting is door appellante aangevoerd dat, indien zou worden uitgegaan van de FML van 17 augustus 2015 die is opgemaakt in het kader van een Ziektewet- en WIA-beoordeling per 17 maart 2015, de functie van productie medewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) dient te vervallen omdat daarin de belastbaarheid van appellante op het aspect 5.7.0 wordt overschreden.

4.5.

Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 juni 2015 blijkt echter dat de belasting in deze functie op het aspect 5.7.0 ‘boven schouderhoogte actief zijn’ binnen de voor appellante in de FML van 17 augustus 2015 vastgestelde belastbaarheid blijft. In deze functie wordt tijdens 3,7 uur, elk uur 30 maal enkele seconden achtereen boven schouderhoogte gewerkt. Volgens de toelichting in de door appellante aangehaalde FML van 17 augustus 2015 wordt appellante bij het aspect 5.7.1 in staat geacht kortdurend boven schouderhoogte actief te zijn, bijvoorbeeld om een gloeilamp te verwisselen. Niet wordt ingezien – zelfs als met de FML van 17 augustus 2015 een betere inschatting zou zijn gemaakt van de belastbaarheid van appellante op het aspect ‘boven schouderhoogte actief zijn’ – dat appellante de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding niet zou kunnen vervullen.

4.6.

Ook indien per 16 februari 2015 op andere aspecten zou worden uitgegaan van de FML van 17 augustus 2015, met daarin opgenomen de toegenomen beperkingen geldend vanaf

17 maart 2015, dan blijkt uit de in het dossier voorhanden zijnde medische en arbeidskundige gegevens, waaronder de Resultaat functiebeoordeling van 5 januari 2015 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 juni 2015, dat de functies die aan appellante als voorbeeldfuncties zijn voorgehouden voor haar geschikt te achten zijn.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) R.H. Budde

UM