Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:235

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
15/892 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:10436, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De nu geselecteerde voorbeeldfuncties zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant. Omdat pas in hoger beroep een afdoende grondslag is ontstaan voor het bestreden besluit zal dat besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, worden vernietigd. De rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/892 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

22 december 2014, 14/4458 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 januari 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. el Joghrafi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. El Joghrafi. Het Uwv werd vertegenwoordigd door
mr. W.M.J. Evers.

Na de zitting is het onderzoek heropend.

Het Uwv heeft een rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht.

Partijen hebben over en weer gereageerd.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. El Joghrafi. Het Uwv werd vertegenwoordigd door
mr. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot 1 januari 2012 gedurende 38 uren per week werkzaam geweest als schoonmaker in panden waar brand heeft gewoed. Vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving heeft hij zich op 14 februari 2012 met psychische klachten arbeidsongeschikt gemeld.

1.2.

In verband met zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft in een rapport van
2 december 2013 meerdere beperkingen aangenomen ten aanzien van de mentale belastbaarheid van appellant en dit vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv in een rapport van 7 januari 2014 door middel van geselecteerde voorbeeldfuncties berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 10,9%, dus minder dan 35%, is.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 9 januari 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van
11 februari 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat hij met ingang van deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4.

In verband met zijn bezwaar tegen dit besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant gezien tijdens de hoorzitting. Deze arts heeft in een rapport van 21 mei 2014 vermeld dat er geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden en dat de primaire verzekeringsarts daarom terecht een FML heeft opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel meer beperkingen bij appellant aanwezig geacht in verband met zijn gegeneraliseerde angststoornis/paniekstoornis, waaronder het vereiste van een rustige werkomgeving. Als toelichting bij beoordelingspunt 2.12.6 (Overige specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid) van de FML is door deze verzekeringsarts vermeld: “rustige werkomgeving, geen drukke fabriekshallen, niet veel mensen e.d.”.

1.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 27 mei 2014 vermeld dat een deel van de eerder geselecteerde voorbeeldfuncties dient te vervallen. In plaats van deze functies heeft hij nieuwe functies geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is hierdoor 25,36% geworden.

1.6.

Bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 januari 2014 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat de belasting van de geselecteerde voorbeeldfuncties de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest. In de FML zijn onvoldoende beperkingen opgenomen. Er is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hij geheugenverlies en black-outs heeft. Voorts zijn de door de het Uwv geselecteerde voorbeeldfuncties niet geschikt voor hem.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

In hoger beroep heeft het Uwv op vragen van de Raad door middel van een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 maart 2016 toegelicht dat de geselecteerde voorbeeldfuncties een rustige werkomgeving hebben.

4.2.

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend om het Uwv in de gelegenheid te stellen om de geselecteerde voorbeeldfuncties voor te leggen aan een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van
25 april 2016 te kennen gegeven dat de werkomgeving in de functie van perronmedewerker metStandaard Beroepenclassificatiecode (SBC-code 111220) vergelijkbaar is met de werkomgeving in een drukke fabriekshal en dat deze functie daarom niet geschikt is voor appellant.

4.3.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van
28 april 2016 de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) geselecteerd in plaats van de functie van perronmedewerker. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant blijft met in achtneming van deze functie minder dan 35%.

4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 4 juli 2016 te kennen gegeven dat er geen medische redenen zijn om de nieuw geselecteerde functie niet geschikt te achten voor appellant.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1.

Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dan wel dat de medische beoordeling onjuist is of dat er twijfel is aan de juistheid van deze beoordeling. Appellant heeft zijn geheugenverlies en black-outs en zijn angst voor computers en machines niet onderbouwd met bijvoorbeeld een medische verklaring. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft evenwel rekening gehouden met de bij appellant gediagnosticeerde gegeneraliseerde angststoornis en blijkens het rapport van 21 mei 2014 meer en verdergaande beperkingen aangenomen in de rubrieken in de FML die betrekking hebben op persoonlijk en sociaal functioneren. Er is geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellant op onjuiste wijze in de FML zijn neergelegd. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen geen reden te hebben om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden.

5.2.

Uitgaande van de juistheid van die FML is in de rapporten van de arbeidsdeskundig bezwaar en beroep van 27 mei 2014, 23 maart 2016 en 28 april 2016, in samenhang met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 april 2016 en 4 juli 2016, voldoende komen vast te staan dat de nu geselecteerde voorbeeldfuncties in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. In deze rapporten is inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. Omdat pas in hoger beroep een afdoende grondslag is ontstaan voor het bestreden besluit zal dat besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zullen in stand worden gelaten.

5.3.

Uit 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het bestreden besluit dient eveneens te worden vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen geheel in stand dienen te blijven.

6. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 1.485,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.475,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 mei 2014;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) J.W.L. van der Loo

SS