Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
15/5917 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de rechtbank oordeelt Raad dat sprake is van voldoende zorgvuldig medisch onderzoek en beperkingen van appellante zijn juist vastgesteld. Overwegingen rechtbank onderschreven. Medisch genoegzaam toegelicht dat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Appellante voldoet ook niet aan criteria voor urenbeperking. Aangenomen fysieke beperkingen zijn zelfs ruimer dan op basis van de aanwezige aspecifieke pijnklachten van appellante strikt noodzakelijk is. De functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5917 WIA

Datum uitspraak: 13 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
26 augustus 2015, 15/950 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. H. ten Brinke.

Het onderzoek is na de zitting heropend.

Bij brief van 22 november 2016 heeft de Raad vragen gesteld aan het Uwv. Voor de beantwoording van deze vragen heeft het Uwv verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 december 2016.

Appellante heeft gereageerd bij brief van 23 februari 2017.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is werkzaam geweest als telefoniste/planner voor achttien uur per week. Op

16 november 2012 is zij uitgevallen met rugklachten, beenklachten en gewrichtsklachten. Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft het Uwv, na medisch en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij met ingang van
14 november 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 17 april 2015 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat aan het bestreden besluit zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt en dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De door appellante overgelegde indicatiebesluiten, genomen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO), hebben de rechtbank geen reden gegeven om aan te nemen dat met haar pijnklachten onvoldoende rekening is gehouden, reeds omdat de beoordeling op grond van de WMO een andere is dan op grond van de Wet WIA en de besluiten geen medische informatie bevatten die bij de medische beoordeling betrokken had kunnen worden. De rechtbank heeft in dit verband tevens gewezen op de door het Uwv ter zitting gegeven toelichting dat indien in de FML een beperking aangenomen had moeten worden op het beoordelingspunt vervoer, dit geen belemmering vormt om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te kunnen uitoefenen omdat appellante, indien noodzakelijk, een vervoersvoorziening kan aanvragen bij het Uwv. Ten aanzien van de door appellante geclaimde urenbeperking heeft de rechtbank overwogen dat appellante in staat is geacht om maximaal 30 uur per week te werken. In wat zij heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat een grotere urenbeperking had moeten worden aangenomen. Uitgaande van de FML moet appellante volgens de rechtbank in staat worden geacht om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij niet in staat is om te werken. In elk geval had er volgens appellante, naast de reeds aangenomen urenbeperking vanwege verminderde beschikbaarheid, een urenbeperking op energetische of preventieve gronden aangenomen moeten worden, wegens de met haar pijnsyndroom gepaard gaande vermoeidheidsklachten. Appellante heeft voorts onder verwijzing naar de hiervoor genoemde indicatiebesluiten aangevoerd dat zij mobiliteitsproblemen heeft, waardoor zij is aangewezen op een vervoersvoorziening en een gelijkvloerse werkplek.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is van voldoende zorgvuldig medisch onderzoek en dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de beperkingen van appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid op de datum in geding onjuist zijn vastgesteld. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, maakt die tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe. De verzekeringsartsen hebben genoegzaam toegelicht dat appellante niet voldoet aan de in het Schattingsbesluit opgenomen criteria voor het aannemen van geen duurzaam benutbare (arbeids)mogelijkheden. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 10 april 2015 overwogen dat appellante niet voldoet aan de in de Standaard Verminderde Arbeidsduur genoemde criteria voor het aannemen van een urenbeperking op energetische of preventieve gronden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn door de verzekeringsarts uitgebreide beperkingen op het gebied van fysieke belastbaarheid aangenomen, zelfs ruimer dan op basis van de aanwezige aspecifieke pijnklachten van appellante strikt noodzakelijk is. In haar rapport van

7 december 2016 heeft zij haar oordeel nader toegelicht. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij een chronisch pijnsyndroom met objectief niet vast te stellen pijn- en vermoeidheidsklachten, waarvan bij appellante sprake is, een urenbeperking niet aangewezen, omdat dit antirevaliderend werkt. Uit het dagverhaal van appellante blijkt ook niet dat overdag sprake is van expliciete lange rustperiodes. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen reden om op grond van een indirect preventief aspect een urenbeperking aan te nemen, omdat bij een chronisch pijnsyndroom geen sprake is van een situatie waarin meer uren werken tot gezondheidsschade leidt. Evenmin is er reden voor het aannemen van een urenbeperking op grond van een direct preventief aspect, omdat niet gebleken is dat uitbreiding van de werkuren tot structurele toename van klachten leidt. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat een urenbeperking op energetisch dan wel preventieve gronden in het geval van appellante niet aan de orde is. Medische gegevens op grond waarvan aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet worden getwijfeld zijn niet overgelegd.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van receptionist, baliemedewerker, samensteller elektrotechnische apparatuur en machinebediende inpak-/verpakkingsmachine in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van de functies in zijn rapport van

30 september 2014 en het Resultaat functiebeoordeling inzichtelijk en toereikend gemotiveerd.

4.3.

Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM