Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
17/1668 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte afgewezen aanvraag AIO-aanvulling. Bij vermogensvaststelling dient de schuld en de verschuldigde rente te worden gesaldeerd met het vermogen van € 114.349,--. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1668 PW, 17/1670 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 januari 2017, 16/3043 en 16/6706 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. D. Coskun, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Coskun en haar zoon [naam zoon] . Tevens was M. Cordes, tolk in de

Turkse taal, aanwezig. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J. A .J. Groenendaal en

mr. S. Pinar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Vanaf 15 mei 2001 ontvingen appellante en haar toenmalige echtgenoot [naam echtgenoot] ( [A] ) bijstand van de gemeente Wijchen naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 21 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 februari 2014, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen (college) de bijstand van appellante en [A] over de periode van 15 mei 2001 tot en met 31 januari 2013 ingetrokken en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 209.070,36 van hen teruggevorderd. Aan zijn besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en [A] de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken bij het college van

- onder meer - de eigendom van diverse onroerende zaken in Turkije. Het tegen het besluit van 4 februari 2014 ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 2 december

2014, 14/2007 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellante en [A] geen rechtsmiddelen ingesteld. Het college heeft vervolgens beslag laten leggen op diverse op naam van [A] staande onroerende zaken in Turkije.

1.2.

Op 26 maart 2013 zijn appellante en [A] naar Nederlands recht gescheiden. De Svb heeft appellante bij besluit van 7 april 2015 ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet toegekend. Op 3 juli 2015 heeft appellante een aanvraag om een aanvullende inkomensvoorziening (AIO-aanvulling) gedaan.

1.3.

De van het college ontvangen informatie met betrekking tot de eigendom van onroerende zaken in Turkije is voor de Svb aanleiding geweest de aanvraag van appellante bij besluit van 7 september 2015 (besluit 1) af te wijzen. Bij besluit van 25 april 2016 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellante de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed. De Svb heeft het positieve vermogen van appellante vastgesteld op € 114.349,- en haar schuld op € 104.855,47.

1.4.

Op 18 januari 2016 heeft appellante wederom een aanvraag om AIO-aanvulling gedaan. Bij besluit van 4 mei 2016 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2016 (bestreden besluit 2), heeft de Svb de aanvraag van appellante afgewezen. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat de door appellante in bezwaar overgelegde stukken, rekening houdend met de huidige situatie van appellante, geen aanleiding vormen om

besluit 2 te herzien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat haar vermogen niet uitstijgt boven de voor haar toentertijd geldende grens van het vrij te laten vermogen. De Svb is uitgegaan van een te lage schuldenlast door daarin niet de opgebouwde rente over de schuld jegens het college mee te nemen. Daar komen ook nog gemaakte kosten voor executie in Turkije bij. Voorts heeft appellante aangevoerd dat een drietal onroerende zaken bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing moeten blijven, omdat deze zaken inmiddels al waren verkocht. Appellante heeft hiervoor verwezen naar een Preliminair verslag van 21 april 2015 en het journaal met betrekking tot de executoriale beslaglegging van 18 maart 2016 van het 23e deurwaarderskantoor in Istanbul alsmede een Turks vonnis ter zake, van 22 januari 2015 van de 12e civiele kamer van de arrondissementsrechtbank in Istanbul.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen perioden lopen van 3 juli 2015 tot en met 7 september 2015 (periode eerste aanvraag) en van 18 januari 2016 tot en met 4 mei 2016 (periode tweede aanvraag).

4.2.

De beroepsgrond dat de Svb een onjuiste schuldenlast heeft betrokken bij de berekening en vaststelling van het vermogen van appellante door geen rekening te houden met de opgebouwde rente op de vordering van het college, slaagt.

4.3.

Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening

(in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt.

4.4.

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft het college een bedrag van € 209.070,36 van appellante en [A] teruggevorderd, waarvan de helft is toe te rekenen aan appellante. Met de uitspraak van 2 december 2014 van de rechtbank is deze terugvordering onherroepelijk geworden. Dit leidt ertoe dat appellante en [A] met ingang van 21 mei 2013 rente over de schuld aan het college verschuldigd zijn. Uit een executiebevel van 22 januari 2015 van het derde deurwaarderskantoor te Istanbul ter uitvoering van het vonnis van gelijke datum van de

12e civiele kamer van de arrondissementsrechtbank te Istanbul blijkt dat de rente over de originele vordering van € 208.570,29 van het college op dat moment op € 30.503,40 is berekend en tezamen met de originele vordering wordt en zal worden geïncasseerd. Hiermee is voor het in aanmerking kunnen nemen van de rente bij de schuld voldaan aan de in 4.3 genoemde voorwaarden. Aangezien de helft van de schuld en de helft van opgebouwde rente aan appellante moeten worden toegerekend, leidt dit tot een schuldenlast van appellante van

€ 119.536,85 ten tijde van de eerste aanvraag op 3 juli 2015.

4.5.

Bij de vaststelling van het vermogen van appellante heeft de Svb de rente op de schuld aan het college ten onrechte buiten de saldering gelaten. Indien de Svb deze schuld wel in aanmerking had genomen, dan had het vermogen van appellante op dat moment beneden de toepasselijke vermogensgrens gelegen en was dit zelfs negatief geweest, zodat de omvang van het vermogen van appellante geen beletsel vormde voor toekenning van de verzochte

AIO-aanvulling.

4.6.

Gelet op 4.5 kan en zal de Raad in het midden laten of de drie door appellante genoemde onroerende zaken ten onrechte bij de vaststelling van het vermogen zijn betrokken.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De bestreden besluiten dienen beide te worden vernietigd, omdat bestreden besluit 2 deelt in het lot van bestreden besluit 1. De Svb zal worden opgedragen om nieuwe beslissingen op de bezwaren tegen de besluiten van 7 september 2015 en 4 mei 2016 te nemen. De Raad ziet in dit geval af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschilbeslechting, omdat gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet valt uit te sluiten dat verdergaand onderzoek - bijvoorbeeld naar een Turks pensioen van of mede toekomende aan appellante - nodig zal zijn.

5. Over het verzoek van appellante om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het volgende overwogen. Niet zeker is hoe de nieuw te nemen beslissingen zullen luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellante schade is geleden in verband met het bij deze uitspraak vernietigde besluit. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Het ligt voor de hand dat de Svb bij de nadere besluitvorming mede beoordeelt of er aanleiding is voor schadevergoeding.

6. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,- in beroep en op € 990,- in

hoger beroep, in totaal € 1.485,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten van 25 april 2016 en 7 oktober 2016;

- bepaalt dat de Svb een nieuw besluit neemt op de bezwaren tegen de besluiten van

7 september 2015 en 4 mei 2016 met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat de Svb het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C. A .E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C. A .E. Bon

HD