Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
16/231 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na de eerste zitting bij de Raad heeft appellante stukken opgestuurd die geen ondersteuning bieden voor haar stellingen ter zitting gedaan. Nadien opgestuurde stukken werpen geen ander licht op de zaak. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd volledig. Wat in hoger beroep is ingebracht, vormt geen aanleiding te twijfelen aan juistheid medisch standpunt Uwv over situatie van appellante op de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/231 ZW

Datum uitspraak: 5 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 november 2015, 15/3591 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.J. van Ommeren hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Appellante en

mr. Van Ommeren zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Appellante is in de gelegenheid gesteld haar hoger beroep nader te onderbouwen door vragen van de Raad te beantwoorden. Appellante heeft bij schrijven van 4 oktober 2016 en

6 oktober 2016 stukken ingediend.

Het Uwv heeft op deze stukken gereageerd.

Op 22 mei 2017 heeft appellante nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 24 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ommeren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam bij McDonald’s. In september 2012 is ze tijdens het werk gevallen en heeft daar rug- en bekkenklachten aan over gehouden. Vanaf 15 maart 2013 ontving ze een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 7 oktober 2013 heeft ze zich wegens rug- en bekkenklachten ziekgemeld. Ze was toen ook in verwachting.

1.2.1.

Op 14 november 2013 heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat de klachten tijdens de zwangerschap zijn toegenomen en dat appellante als direct gevolg van zwangerschap arbeidsongeschikt is. Appellante is op

5 april 2014 bevallen van haar eerste kind. In de periode rond de bevalling heeft appellante een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontvangen.

1.2.2.

Op 30 juli 2014 heeft appellante opnieuw het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 1 december 2014 geschikt geacht voor maatgevende arbeid. Op 1 december 2014 heeft appellante telefonisch aan het Uwv gemeld dat zij nog steeds ziek is. Vervolgens is zij op 19 december 2014 op het spreekuur van een arts van het Uwv geweest. Appellante is per 22 december 2014 hersteld verklaard voor de maatgevende arbeid. Het Uwv heeft bij besluit van 19 december 2014 vastgesteld dat appellante per

22 december 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van tegen dit besluit is bij besluit van 4 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 april 2015.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen reden was om medische informatie op te vragen. Appellante is goed in staat geweest haar klachten te verwoorden. Ze claimt forse klachten welke niet in overeenstemming zijn met het beleid van de curatieve sector, de medicatie (3 maal daags twee paracetamol) is niet gewijzigd en, anders dan appellante in bezwaar heeft gezegd, is er in 2014 geen MRI-scan gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is evenals de primaire arts van mening dat appellante goed zelfredzaam is en minder immobiel dan zij zelf claimt. Bij lichamelijk onderzoek zijn geen afwijkingen gevonden. De brief van gynaecoloog M. Kok van

29 mei 2015, waarin hij enkel schrijft dat appellante in verband met haar lichamelijk conditie niet in staat is om werk te verrichten, leidt niet tot een ander oordeel. Een gynaecoloog heeft niet het specialisme van een verzekeringsarts, de verklaring is onvoldoende specifiek en heeft bovendien geen betrekking op de datum in geding. De brief van 9 juni 2015 van arts-assistent N.C.J. Schellekens, werkzaam bij de afdeling pijngeneeskunde bij het pijncentrum van het AMC, leidt eveneens niet tot een ander oordeel. De conclusie van de arts is dat er pijnklachten zijn in het linker en rechter SI gebied die toenemen tijdens zwangerschap. Er zijn geen afwijkingen op beeldvorming zichtbaar.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat ze twijfelt aan de conclusies van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft chronische pijnen. De beperkingen die hier uit voortvloeien kunnen niet slechts aan de hand van een kort onderzoek door de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep worden vastgesteld. Ze wordt nog steeds behandeld in het pijncentrum van het AMC. Appellante heeft een brief van de pijnpoli arts F. Wille van 10 mei 2016 in geding gebracht. Wille schrijft dat de klachten al jaren aanwezig zijn. Appellante wordt fors beperkt in het dagelijks leven als gevolg van het chronisch pijnsyndroom (een diagnose op zich zelf) en het zal nog langdurige begeleiding vragen om tot een zo goed mogelijk niveau van functioneren te komen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden. De datum in geding is 22 december 2014. De toegenomen klachten ten gevolge van de tweede zwangerschap zijn niet relevant.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.3.1.

Appellante heeft zich tijdens de eerste zitting bij de Raad op het standpunt gesteld dat enkele gegevens in het dossier niet juist zijn. Zo heeft zij gezegd dat zij, anders dan in het dossier staat, na de val onder werktijd bij McDonald’s (25 september 2012) daar niet meer heeft gewerkt, dat zij kort na de val onder behandeling is gekomen bij het AMC en dat zij sinds de val min of meer onafgebroken medicijnen heeft gebruikt. Appellante is vervolgens in de gelegenheid gesteld haar stellingen te onderbouwen.

4.3.2.

De stukken die appellante heeft opgestuurd bieden geen ondersteuning voor haar stellingen. Appellante heeft gezegd na de val niet meer te hebben gewerkt. Maar op

5 december 2012 schrijft de huisarts dat appellante 24 uur werkt. In de brief van het Juridisch Loket staat dat appellante in oktober twee dagen van acht uur heeft gewerkt en één dag van drie uur. In het plan van aanpak van 16 november 2012 wordt gesproken over werkhervatting en niet is gebleken dat dat niet gelukt is. Appellantes stelling dat ze kort na de val onder behandeling was bij het AMC blijkt evenmin uit de stukken. Ze is er geweest vanwege zwangerschappen en pas in juni 2015 is ze daar onder behandeling geweest voor haar pijnklachten. Het medicatieoverzicht dat appellante heeft opgestuurd heeft betrekking op 2015/2016 en heeft geen betrekking op de datum in geding. Het kan appellantes stelling dat ze na de val in september 2012 medicatie heeft gebruikt niet onderbouwen.

4.4.

Bij schrijven van 22 mei 2017 heeft appellante nog meer stukken ingediend. Deze dateren van maart/mei 2017 en werpen, omdat ze niets zeggen over de situatie op de datum in geding, geen ander licht op de zaak.

4.5.

De Raad verenigt zich derhalve met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd volledig. Wat appellante in hoger beroep heeft ingebracht, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Deze arts heeft appellant gezien tijdens de hoorzitting, dossierstudie verricht en zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat appellante, ondanks de haar ervaren klachten, in staat is de maatgevende arbeid te vervullen. Het Uwv heeft terecht overwogen dat appellante op de datum in geding in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten, en heeft op goede gronden haar ZW-uitkering beëindigd.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) E.K. Akkerman

(getekend) I.G.A.H. Toma

KP