Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
15/6245 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep slaagt reeds omdat het Uwv de boete heeft laten vervallen. Gelet op de door appellante naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan niet worden gesteld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij te veel uitkering ontving. Geen sprake van uitzonderingsgeval zoals vermeld in 4.2. Het Uwv was niet bevoegd om de WIA-uitkering van appellante met terugwerkende kracht te herzien. Een terugvordering was niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6245 WIA

Datum uitspraak: 5 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

7 augustus 2015, 15/1200 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Th.P.A. van Dinten-de Groot hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 oktober 2016 heeft mr. J.H.M. van Dinten meegedeeld de zaak te hebben overgenomen en zich als advocaat van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.M. van Dinten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 29 juli 2009 met psychische klachten uitgevallen uit haar werk als verkoopster bij een drogisterij. Bij besluit van 1 juli 2011 heeft het Uwv appellante per

27 juli 2011 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 100%.

1.2.

Met een wijzigingsformulier van 5 mei 2012 heeft appellante aan het Uwv doorgegeven dat zij met ingang van 17 april 2012 voor 16 uur per week als flexibel inzetbare medewerkster is gaan werken bij [BV] ( [BV] ). Zij heeft daarbij melding gemaakt van door haar gevolgde trainingen en therapieën en van een recente opname in een ziekenhuis. Ook heeft zij te kennen gegeven moeite te hebben met administratieve zaken en daarbij hulp nodig te hebben. Appellante heeft bij het wijzigingsformulier een kopie overgelegd van de met [BV] gesloten arbeidsovereenkomst, een zogenoemde min/max-overeenkomst voor minimaal 4 en maximaal 38 uur per week.

1.3.

Bij brief van 2 juni 2012 heeft appellante de door het Uwv bij haar opgevraagde loonstroken van de vier-wekenperioden van 26 maart 2012 tot en met 20 mei 2012 (perioden

4 en 5) ingezonden. In verband met deze inkomsten heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante over de maand april 2012 herzien en alvast een voorlopige maandelijks korting in het systeem ingebracht in afwachting van verdere loonstroken.

1.4.

Via haar re-integratie- & casemanager heeft appellante op 1 november 2012 nog vier loonstroken aan het Uwv doen toekomen. Deze hadden betrekking op de perioden van

18 juni 2012 tot en met 7 oktober 2012 (perioden 7 tot en met 10).

1.5.

Met een wijzigingsformulier van 4 mei 2014, door het Uwv ontvangen op 14 mei 2014, heeft appellante aan het Uwv doorgegeven dat zij met ingang van 25 april 2014 ongeveer

30 uur per week is gaan werken bij [BV] .

1.6.

Op 10 juni 2014 heeft appellante op verzoek van het Uwv haar loonstroken over de periode april 2012 tot en met september 2013 ingezonden.

1.7.

Bij besluit van 7 juli 2014 heeft het Uwv gesteld dat appellante in verband met haar (hoge) inkomsten waarschijnlijk geen recht meer heeft op uitkering, dat haar uitkering vanaf

1 juli 2014 als voorschot zal worden uitbetaald en dat haar uitkering één keer per zes maanden definitief zal worden berekend. Verder heeft het Uwv daarbij vermeld dat appellante over de definitieve vaststelling van haar WIA-uitkering over de periode van april 2012 tot en met juni 2014 nog nader bericht ontvangt.

1.8.

Op basis van de door appellante aangeleverde loonstroken en gegevens uit Suwinet heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante opnieuw vastgesteld en de gevolgen daarvan voor de WIA-uitkering van appellante bepaald.

1.8.1.

Bij besluit van 3 oktober 2014 (primair besluit I) heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante over de periode van 23 april 2012 tot 1 juli 2014 herzien. In een bijlage bij het besluit heeft het Uwv gespecificeerd hoe de herziene uitkeringsbedragen over de periode april 2012 tot en met juni 2013 zijn berekend.

1.8.2.

Bij besluit van 28 oktober 2014 (primair besluit II) heeft het Uwv de te veel betaalde uitkering over de periode van 23 april 2012 tot 1 juli 2014 ter hoogte van € 3.373,67 bruto (feitelijk het bedrag dat betrekking had op de periode tot 1 juli 2013) van appellante teruggevorderd.

1.8.3.

Bij een tweede besluit van 28 oktober 2014 (primair besluit III) heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 1.690,-.

1.9.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen primaire besluiten I, II en III.

1.10.

Bij besluit van 12 januari 2015 (correctiebesluit I) heeft het Uwv vastgesteld dat bij primair besluit I een gedeelte van de specificatie ontbrak en heeft het Uwv dat besluit ingetrokken. Verder is aan appellante meegedeeld dat haar WIA-uitkering over de periode van 23 april 2012 tot 1 juli 2014 wordt herzien. In de bijlage zijn – anders dan bij primair

besluit I – de herziene uitkeringsbedragen over de periode april 2012 tot en met juni 2014 gespecificeerd.

1.11.

Bij afzonderlijk besluit van 12 januari 2015 (correctiebesluit II) heeft het Uwv primair besluit II ingetrokken en een bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 23 april 2012 tot 1 juli 2014 ter hoogte van € 6.151,57 bruto van appellante teruggevorderd.

1.12.

Bij besluit van 9 maart 2015 (correctiebesluit III) heeft het Uwv primair besluit III ingetrokken en aan appellante een boete opgelegd van € 130,-.

1.13.

Bij besluit van 31 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante gericht tegen correctiebesluiten I en II van 12 januari 2015 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen correctiebesluit III van 9 maart 2015 gegrond verklaard. In plaats van een boete van € 130,- heeft het Uwv appellante een boete van € 10,- opgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante is in hoger beroep opgekomen tegen de herziening van haar uitkering met terugwerkende kracht, de terugvordering en de boete. Zij heeft daarbij gewezen op haar psychische gesteldheid, haar verzoek om hulp en haar contacten met het Uwv. Appellante meent naar beste kunnen melding te hebben gedaan van haar gewijzigde inkomsten, terwijl het Uwv haar daarbij, ondanks haar verzoek om hulp, geen ondersteuning heeft geboden. Appellante heeft voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen sprake heeft geacht van een ‘reformatio in peius’. Volgens appellante zou het Uwv zonder haar uitlatingen in de bezwaarprocedure nooit tot de correctiebesluiten I en II zijn gekomen.

3.2.

Het Uwv heeft aanvankelijk bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter zitting heeft het Uwv echter te kennen gegeven de boete in te trekken en alleen de herziening en de terugvordering te handhaven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep slaagt reeds omdat het Uwv de boete heeft laten vervallen. Een verdere bespreking van de boete zal daarom achterwege blijven.

4.2.

Tussen partijen zijn alleen nog de herziening en de terugvordering in geschil. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dit beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

4.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

4.4.

In het bestreden besluit heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij, gelet op haar inkomsten, te veel uitkering ontving en dat daarom herziening van de haar uitkering met terugwerkende kracht mogelijk was. Kern van de gronden van het hoger beroep van appellante is dat de rechtbank dit standpunt ten onrechte heeft onderschreven.

4.5.

Geoordeeld wordt dat de rechtbank het standpunt van het Uwv dat appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij te veel uitkering ontving inderdaad ten onrechte heeft onderschreven. Daarbij worden de volgende feiten en omstandigheden van belang geacht. Appellante had, naar het Uwv vanuit de eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling bekend was, een traumatische voorgeschiedenis, in verband waarmee zij verschillende therapieën en trainingen had gevolgd en nog volgde. Niet voor niets was zij door het Uwv volledig arbeidsongeschikt geacht en had zij een re-integratie- & casemanager. Recentelijk was zij in verband met een ernstige crisis opgenomen geweest. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat het ook ten tijde van belang nog niet goed met haar ging en dat zij desondanks kon werken omdat zij via een vriendin een bijzonder begrijpende werkgever had gevonden die haar veel ruimte gaf en flexibel inspeelde op problemen, bijvoorbeeld door haar de gelegenheid te geven even naar achteren te gaan of eerder naar huis te gaan. Er bestaat geen aanleiding om de juistheid van deze toelichting in twijfel te trekken. Appellante heeft toen zij werk had gevonden, het Uwv hiervan op de hoogte gesteld en het Uwv een kopie van haar arbeidsovereenkomst met [BV] doen toekomen. Hieruit bleek duidelijk dat het om een min/max-overeenkomst, dus om een wisselend aantal uren, ging. Uit de wijze waarop appellante het formulier van 5 mei 2012 heeft ingevuld blijkt dat zij hier niet goed raad mee wist en behoefte had aan hulp bij administratieve zaken. Ook blijkt hieruit dat zij telefonisch contact had gehad met het Uwv, dat zij verwezen was naar de website van het Uwv en dat zij bij het gebruik van die website problemen ondervonden had. Van enigerlei bemoeienis of hulp bij de administratieve verantwoording van de werkzaamheden van appellante door de

re-integratie- & casemanager is, afgezien van het doorgeleiden van enkele loonstroken, niet gebleken. Ook overigens is niet gebleken dat het Uwv heeft ingespeeld op de hulpvraag van appellante. Hier komt bij dat appellante al in haar aanvullende gronden van bezwaar van

15 december 2014 heeft gesteld dat zij diverse malen telefonisch contact heeft gehad met het Uwv, waarbij zij heeft gevraagd hoe zij moest handelen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij specificaties overgelegd van haar telefoonrekeningen, waaruit bijvoorbeeld blijkt dat zij op

23 mei 2012 17 minuten en 46 seconden heeft gebeld met het Uwv. Appellante stelt dat zij tijdens één van deze gesprekken heeft aangeboden om haar loonstroken steeds op te sturen, maar dat haar is verteld dat dat te veel ‘papierhandel’ zou geven. Ter zitting heeft appellante desgevraagd gezegd dat dit waarschijnlijk het gesprek van 23 mei 2012 is geweest. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de lezing van appellante. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan niet worden gesteld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij te veel uitkering ontving.

4.6.

Wat is overwogen in 4.5 leidt tot de conclusie dat hier geen sprake is van een uitzonderingsgeval zoals vermeld in 4.2. Het Uwv was niet bevoegd om de WIA-uitkering van appellante met terugwerkende kracht te herzien. Een terugvordering was dus ook niet aan de orde.

4.7.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Voorts zullen alle primaire en correctiebesluiten worden herroepen.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.980,- aan kosten van verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 maart 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept de besluiten van 3 oktober 2014 (primair besluit I: herziening), 28 oktober 2014

(primair besluit II: terugvordering), 28 oktober 2014 (primair besluit 3: boete), 12 januari

2015 (correctiebesluit I: herziening), 12 januari 2015 (correctiebesluit II: terugvordering) en

9 maart 2015 (correctiebesluit III: boete);

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten van appellante in beroep en hoger

beroep tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.W.L. van der Loo

RB