Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
15/6505 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand omdat appellante een opleiding kan volgen waarvoor zij studiefinanciering kan ontvangen. Het college heeft appellante daarop voldoende op gewezen en opleidingen aangebracht. Dat appellante een opleiding in België volgt en geen studiefinanciering ontvangt maakt dit niet anders.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6505 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

19 augustus 2015, 15/1919 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellnte] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Burhenne. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.H.M. Frenken.

Bij brieven van 23 augustus 2016 is aan partijen medegedeeld dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer, waarna het onderzoek is heropend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.H. Lenaers, advocaat en kantoorgenoot van mr. Burhenne. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C.M. Jansen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 1 juli 2014 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Zij heeft op 25 augustus 2014 het aanvraagformulier ingediend.

1.2.

Appellante is per 1 september 2014 een opleiding Haarzorg te Maaseik (België) gaan volgen.

1.3.

Bij besluit van 16 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 mei 2015 (bestreden besluit), heeft het college aan appellante bijstand verleend over de periode van

1 juli 2014 tot en met 31 augustus 2014, onder gelijktijdige oplegging van een maatregel van 100% voor de duur van één maand en de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2014 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante op 1 september 2014 is gestart met een opleiding in België en niet is gebleken dat appellante niet voor studiefinanciering in aanmerking kan komen. Appellante heeft ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB geen recht op bijstand.

1.4.

Bij besluit van 20 september 2014 heeft Dienst Uitvoering Onderwijs op een daartoe strekkende aanvraag van appellante beslist dat appellante vanaf 1 september 2014 geen recht op studiefinanciering heeft, omdat zij een opleiding volgt waarvoor geen recht op studiefinanciering bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover die ziet op de intrekking van de bijstand met ingang van 1 september 2014.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 september 2014 tot en met 16 oktober 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB bestaat geen recht op algemene bijstand voor degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:

1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel

2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

4.4.

Gelet op 1.4 is niet langer in geschil dat appellante voor de studie Haarzorg in België per 1 september 2014 geen recht had op studiefinanciering. Desgevraagd is van de kant van het college gesteld dat het bestreden besluit is gebaseerd op onderdeel 1 van de onder 4.3 vermelde bepaling. Uit de feiten en omstandigheden blijkt volgens het college dat er geen belemmeringen of beperkingen waren die het appellante onmogelijk maakten om een opleiding in Nederland te volgen waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestond.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat zij in de te beoordelen periode geen uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestond, omdat het niet meer mogelijk was om per september 2014 met een studie in Nederland te beginnen in verband waarmee die aanspraak bestond. Het was enkel mogelijk om in België met de opleiding Haarzorg te beginnen. Voor deze opleiding bestond geen aanspraak op studiefinanciering omdat het een 2e graads opleiding was. Deze beroepsgrond slaagt niet gelet op het volgende.

4.5.1.

In het kader van de aanvraag van appellante heeft het college bij brief van 7 juli 2014 aan appellante meegedeeld dat zij, omdat zij jonger is dan 27 jaar, een zoekperiode heeft van vier weken, waarin zij zo snel mogelijk weer aan het werk moet gaan of een opleiding moet gaan volgen. Aan appellante is in die brief - onder meer - opgedragen een afspraak te maken met de studieadviseur van een regionale (school)instelling zoals Leeuwenborgh, [naam college] Eindhoven, Arcus, of Gilde opleidingen om haar studiemogelijkheden te onderzoeken.

4.5.2.

Op 31 juli 2014 heeft een gesprek tussen een consulent van de gemeente en appellante plaatsgevonden, waarin appellante meedeelde dat zij per 1 september 2014 een opleiding Haarzorg te Maaseik (België) gaat volgen. In de rapportage aanvraag WWB van 24 september 2014 is vermeld dat wordt besloten in te zetten op een opleiding in Nederland waarbij voor appellante recht bestaat op studiefinanciering. Tijdens een gesprek met appellante op

5 augustus 2014 is daarom voornamelijk gesproken over de opleidingsmogelijkheden in Nederland en het feit dat appellante dan recht heeft op studiefinanciering.

4.5.3.

Omdat appellante op 6 juni 2014 in het kader van een eerdere aanvraag om bijstand een intakegesprek heeft gehad met B. Winantz (W) heeft op 1 augustus 2014 een mailwisseling plaatsgevonden tussen W en [A], re-integratieconsulent bij de gemeente, met wie appellante drie gesprekken heeft gehad. Uit deze mailwisseling blijkt - voor zover hier van belang - dat appellante in België kan instromen mits ze in een 3e graads studie kan instromen, omdat een 2e graads studie geen recht geeft op studiefinanciering. Daarnaast is appellante aangemeld bij [naam college] te Eindhoven. W weet niet wat de stand van zaken is. Een BOL-opleiding is zijn advies, BBL zal erg moeilijk worden aangezien appellante dan een baan moet vinden en dan geen recht heeft op studiefinanciering. Hierbij heeft W opgemerkt dat appellante zelf zou nagaan of ze toch op een 3e graads opleiding kon instromen. Het advies van de school was 2e graads, maar dat geeft geen recht op studiefinanciering en dan moet het volgens W sowieso Summa of een ander ROC worden. Via de inkomensconsulent heeft [A] begrepen dat de opleiding in Maastricht vol zou zitten.

4.5.4.

Uit 4.5.1 tot en met 4.5.3 blijkt dat het college appellante er voldoende op heeft gewezen dat zij een opleiding in Nederland dan wel in België moest gaan volgen waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestond. Het college heeft appellante hierbij gewezen op mogelijke opleidingen en scholen. De beroepsgrond dat het college in dit kader in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld slaagt daarom niet. Onder die omstandigheden lag het vervolgens op de weg van appellante om zich bij bedoelde opleidingen aan te melden en in te schrijven. Appellante heeft haar beroepsgrond, dat zij zich bij meerdere onderwijsinstellingen telefonisch en schriftelijk heeft aangemeld en dat de opleidingen vol waren, niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd.

4.6.

Hieruit volgt dat voldoende grondslag bestaat voor de conclusie van het college dat voor appellante de mogelijkheid bestond om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen, in verband waarmee er een aanspraak op studiefinanciering was. Aan de voorwaarden van

artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, onderdeel 1, van de WWB was dan ook voldaan.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke situatie. Appellante is moeder van een kind jonger dan vijf jaar, woont in bij haar ouders en is studerend.

4.7.1.

Artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB is dwingendrechtelijk van aard en laat geen ruimte voor een beoordeling van de omstandigheden als door appellante naar voren gebracht. De door appellante aangevoerde omstandigheden kunnen bij de toets aan die bepaling dan ook geen rol spelen. In beginsel kan slechts in geval van artikel 16, eerste lid, van de WWB een uitzondering worden gemaakt op de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB.

4.7.2.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college, gelet op alle omstandigheden en in afwijking van onder meer artikel 13 van de WWB, bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB doen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

4.7.3.

De Raad ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen zeer dringende redenen als hiervoor bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB die noodzaken tot verlening van bijzondere bijstand.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD