Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
16/2357 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering (gedeeltelijke) toekenning kinderbijslag over een bepaalde periode i.v.m. geen verblijfsrecht. Hoewel de ernst van de situatie en de moeilijke omstandigheden waarin appellante heeft verkeerd, zeker niet worden onderschat, wordt hierin geen aanleiding gevonden om het koppelingsbeginsel buiten toepassing te laten. Ook de omstandigheden dat de zoon van appellante ten tijde in geding onder toezicht was gesteld en er daarom, ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning, geen sprake was van een situatie dat appellante Nederland moest verlaten, zijn geen bijzondere omstandigheden die de weigering van kinderbijslag strijdig doet zijn met het discriminatieverbod in samenhang met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene Kinderbijslagwet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2357 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 maart 2016, 15/7279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 23 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2017. Appellante heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. J. Sprakel, kantoorgenoot van mr. Klaas. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is afkomstig uit Oeganda en verblijft sinds december 2010 in Nederland. Op 10 december 2011 is haar zoon [naam zoon] geboren. Bij beschikking van 13 december 2011 is [naam zoon] door de kinderrechter voorlopig onder toezicht gesteld. Vervolgens is een definitieve ondertoezichtstelling uitgesproken die later is verlengd tot 13 december 2013. [naam zoon] en appellante beschikten vanaf 19 november 2012 over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Aan appellante is met ingang van het derde kwartaal van 2013 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van [naam zoon] toegekend.

1.2.

Bij besluit van 19 april 2012 heeft de Svb geweigerd appellante kinderbijslag op grond van de AKW toe te kennen vanaf het eerste kwartaal van 2011 omdat zij geen verblijfsrecht heeft en daarom geen duurzame persoonlijke band met Nederland. Bij beslissing op bezwaar van 2 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat – gezien de geboortedatum van [naam zoon] – de afwijzing van de kinderbijslag betrekking heeft op het eerste en tweede kwartaal van 2012.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740 het beroep van appellante op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Voorts is geoordeeld dat van dusdanige schrijnende omstandigheden die kunnen leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, in het geval van appellante niet is gebleken.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe tot de conclusie wordt gekomen dat geen sprake is van schrijnende omstandigheden. De rechtbank had een individuele toets moeten uitvoeren waarbij van belang is dat [naam zoon] vanaf de geboorte onder toezicht is gesteld, vertrek nooit ter sprake is geweest en ook niet mogelijk was en de omstandigheden waarin appellante verkeerde bijzonder schrijnend waren te noemen. In dit verband is een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3788.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil het recht op kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van 2012. Niet in geschil is dat appellante aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. In geschil is of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante, in de periode in geding, niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

4.2.

Kortheidshalve wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:994, in een met het onderhavige geding vergelijkbare zaak. In die uitspraak heeft de Raad onder meer overwogen dat wat betreft vreemdelingen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de AKW, moet worden aangenomen dat niet met toepassing van de AKW gestalte moet worden gegeven aan de door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde positieve verplichtingen. Voorts is, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van

23 november 2012, overwogen dat het beroep op artikel 8 van het EVRM in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt ook dat uit bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind geen recht op kinderbijslag kan volgen.

4.3.

Hoewel de ernst van de situatie en de moeilijke omstandigheden waarin appellante heeft verkeerd, zeker niet worden onderschat, wordt hierin geen aanleiding gevonden om het koppelingsbeginsel buiten toepassing te laten. Ook de omstandigheden dat de zoon van appellante ten tijde in geding onder toezicht was gesteld en er daarom, ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning, geen sprake was van een situatie dat appellante Nederland moest verlaten, zijn geen bijzondere omstandigheden die de weigering van kinderbijslag strijdig doet zijn met het discriminatieverbod in samenhang met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Hierbij is mede van belang geacht dat appellante met haar zoon ten tijde in geding werd opgevangen in een AZC, van het COA leefgeld ontving van € 100,- per week, via het COA verzekerd was voor ziektekosten en in het kader van de kinderbescherming hulp kreeg van diverse instanties. De omstandigheid dat appellante en haar zoon mogelijk onder het bestaansminimum moesten leven, kan mede gezien het doel van de kinderbijslag, ook geen omstandigheid vormen die aanleiding moet geven tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel. Dit is niet anders als wordt aanvaard dat de AKW in bepaalde gevallen de functie kan vervullen te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het Nederlands sociaal minimum geraken, welke functie ook wordt erkend in de Participatiewet. Het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014 kan appellante evenmin baten. Het in die uitspraak beschreven samenstel van feiten en omstandigheden op grond waarvan de Afdeling in dat specifieke geval tot de conclusie kwam dat er sprake was van zodanig bijzondere omstandigheden dat het koppelingsbeginsel buiten toepassing moest worden gelaten, of een hiermee op één lijn te stellen situatie doet zich in het geval van appellante niet voor. Vergelijk in dat verband ook de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1865.

4.4.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2017.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) I.G.A.H. Toma

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerden.

UM